
Wat deze periode van alle voorgaande onderscheidt is dat er geen gemeenschappelijke stijl meer is. Een luisteraar uit 1750 die naar willekeurig welke nieuwe muziek luisterde hoorde dezelfde taal; een luisteraar uit 1925 kon in dezelfde week Ravel, Schönberg, Strawinsky en Gershwin horen en vier onverenigbare talen aantreffen.
De breuk zit in de tonaliteit. Drie eeuwen lang was de grondtoon het zwaartepunt waar alles naar terugkeerde. In de eerste decennia van deze eeuw laat een deel van de componisten dat zwaartepunt los, niet uit baldadigheid, maar omdat de romantische harmonie het al zo ver had opgerekt dat het nog nauwelijks voelbaar was.
Daarnaast gebeurt er iets dat met stijl niets te maken heeft: de opname. Vanaf de jaren twintig kan muziek worden vastgelegd en herhaald. Dat verandert wat een uitvoering is, wat een publiek kent, en uiteindelijk ook wat een componist kan veronderstellen.
Impressionisme: klank als onderwerp
Debussy en Ravel zochten hun vernieuwing niet in het opgeven van de tonaliteit maar in het verzwakken van de richting ervan. Hele-toonsladders, pentatoniek, parallel bewegende akkoorden en een pedaalgebruik dat alles laat vermengen leveren muziek op waarin de klank zelf het onderwerp is.
De term komt uit de schilderkunst en werd door Debussy zelf afgewezen, maar hij is blijven hangen omdat de parallel klopt: het gaat om licht en beweging, niet om omtrek.
Twaalftoonstechniek en de Tweede Weense School
Schönberg, Berg en Webern zochten de andere weg: als geen enkele toon nog belangrijker is dan de andere, dan moet er een nieuwe ordening komen. De twaalftoonstechniek zet de twaalf tonen van het octaaf in een vaste reeks die het hele stuk als materiaal dient.
De reeks is geen melodie en is bij het luisteren zelden te volgen. Wat wel te horen is, is het gevolg: geen enkele toon krijgt de kans zich als centrum te vestigen.
Berg gebruikte de techniek het soepelst en schreef er muziek mee die dicht bij de romantiek blijft; Webern het strengst en het kortst, met stukken van soms nog geen minuut.
Terug naar de vorm
Tegenover beide staat een derde beweging die juist teruggrijpt: Strawinsky na 1920, Prokofjev, Hindemith en Poulenc schrijven suites, concerten en sinfonietta's met de bouw van de achttiende eeuw en de harmonie van de twintigste.
Het is geen nostalgie maar een keuze voor helderheid, en het levert een repertoire op dat voor uitvoerders en publiek toegankelijk bleef terwijl de discussie over tonaliteit voortduurde.
Componisten uit de 20ste eeuw: het overzicht
De lijst bevat richtingen die elkaar uitsluiten. Ze staan hier naast elkaar omdat ze gelijktijdig zijn, de ordening is op geboortejaar, niet op school.
Leoš Janáček Tsjechië 1854–1928
Gustav Mahler Oostenrijk 1860–1911
Richard Strauss Duitsland 1864–1949
Carl Nielsen Denemarken 1865–1931
Jean Sibelius Finland 1865–1957
Ferruccio Busoni Italië 1866–1924
Erik Satie Frankrijk 1866–1925
Albert Roussel Frankrijk 1869–1937
Alexander Skrjabin Rusland 1872–1915
Gustav Holst Groot Brittannië 1874–1934
Charles Ives Verenigde Staten 1874–1954
Arnold Schönberg Oostenrijk 1874–1951
Ottorino Respighi Italië 1879–1936
Ernest Bloch Zwitserland 1880–1959
Béla Bartók Hongarije 1881–1945
Zoltán Kodály Hongarije 1882–1967
Igor Strawinsky Rusland 1882–1971
Karol Szymanowski Polen 1882–1937
Joaquín Turina Spanje 1882–1949 Arthur Meulemans België 1884–1966
Alban Berg Oostenrijk 1885–1935
Heitor Villa-Lobos Brazilië 1887–1959
Bohuslav Martinů Tsjechië 1890–1959
Sergej Prokofjev Rusland 1891–1953
Arthur Honegger Frankrijk 1892–1955
Darius Milhaud Frankrijk 1892–1974 Herman Meulemans België 1893–1965
Paul Hindemith Duitsland 1895–1963
Carl Orff Duitsland 1895–1982
George Gershwin Verenigde Staten 1898–1937
Francis Poulenc Frankrijk 1899–1963
Aaron Copland Verenigde Staten 1900–1990
Kurt Weill Duitsland 1900–1950
Aram Chatsjatoerjan Rusland 1903–1978
Dmitri Sjostakovitsj Rusland 1906–1975
Olivier Messiaen Frankrijk 1908–1992
Samuel Barber Verenigde Staten 1910–1981
Benjamin Britten Groot Brittannië 1913–1976
Leonard Bernstein Verenigde Staten 1918–1990 Veelgestelde vragen
Wat betekent atonaal precies?
Atonale muziek heeft geen grondtoon die als rustpunt werkt. Er is geen toonsoort, dus ook geen terugkeer naar huis aan het eind van een frase.
Het woord zegt alleen wat er niet is. Schönberg had er een hekel aan en sprak liever van pantonaliteit, omdat alle twaalf tonen gelijk gebruikt worden in plaats van geen.
Waarom klinkt twintigste-eeuwse muziek vaak zo anders?
Omdat drie van de vier verwachtingen die een luisteraar meebrengt bewust worden losgelaten: een vaste toonsoort, een regelmatige maat en een herkenbare melodie.
Wat ervoor in de plaats komt (klankkleur, ritmische lagen, structuur) is wel degelijk te volgen, maar het vraagt een andere manier van luisteren dan de negentiende eeuw had aangeleerd.
Wie zijn de belangrijkste componisten van deze periode?
Debussy en Ravel voor het impressionisme, Schönberg, Berg en Webern voor de Tweede Weense School, Strawinsky en Bartók als de twee grote vernieuwers buiten die scholen, en Sjostakovitsj en Prokofjev voor het Russische repertoire.
Hun pagina's staan in de lijst hieronder.
Hoort filmmuziek bij deze periode?
Als repertoire is het een eigen vak met een eigen geschiedenis, en het valt buiten de indeling die dit naslagwerk aanhoudt. De invloed loopt wel beide kanten op: de laat-romantische orkestklank van Strauss en Mahler is via Hollywood het bekendste symfonische idioom ter wereld geworden.