Naar de inhoud
Componisten.net

Oostenrijk

Oostenrijkse componisten: Wenen als hoofdstad van de muziek

Eén stad, twee revoluties: de Weense klassieken rond 1780 en de Tweede Weense School rond 1910, met honderddertig jaar ononderbroken traditie ertussen.

10componisten
5stijlperiodes
1170vroegste geboortejaar
Papieren concertzaalbalkon met gouden pilaren, een fortepiano en gescheurde stroken (met AI gemaakte afbeelding)AI
Balkon en fortepiano · Met AI gemaakte afbeelding

Geen enkele stad heeft de westerse muziek zo geconcentreerd beïnvloed als Wenen. Tussen 1750 en 1830 werkten Haydn, Mozart, Beethoven en Schubert er binnen een straal van enkele kilometers, en legden ze samen de vormen vast die de concertzaal nog altijd gebruikt.

Honderd jaar later gebeurde het opnieuw, maar dan in de andere richting. Schönberg, Berg en Webern braken in dezelfde stad met de tonaliteit die hun voorgangers hadden geperfectioneerd, en kregen daarvoor de naam Tweede Weense School.

Tussen beide momenten liggen Bruckner en Mahler, die elk op hun manier de symfonie tot het uiterste oprekten voordat er niets meer bij kon.

De Weense klassieken

Waarom juist Wenen? De verklaring is prozaïsch: het was de hoofdstad van een groot rijk met een adel die muziek als onderdeel van het huishouden zag. Er waren opdrachtgevers, uitgevers, orkesten, salons en publiek, en er was een middenklasse die zelf speelde.

Haydn legde in dertig jaar dienst bij de familie Esterházy de symfonie en het strijkkwartet vast. Mozart maakte van die vormen iets dat vanzelfsprekend klonk. Beethoven, geboren in Bonn maar vanaf zijn tweeëntwintigste Wener, begon er binnen dezelfde vormen tegenaan te duwen. Meer daarover op de pagina over de klassieke periode.

De Weense operette

Tussen die twee omwentelingen in loopt een derde Weense traditie die zelden in hetzelfde rijtje wordt genoemd: de operette. Franz von Suppè (1819–1895), geboren in Split en het grootste deel van zijn leven werkzaam in Wenen, schreef er vanaf 1860 de eerste voorbeelden van. Zijn ouvertures bij Dichter und Bauer en Leichte Kavallerie worden nog altijd los van het toneelstuk gespeeld.

Johann Strauss jr. maakte er met Die Fledermaus (1874) een exportproduct van, en Franz Lehár rekte de vorm na 1900 op tot iets dat dicht bij de opera kwam. Het theaterpubliek dat deze stukken droeg, leefde in dezelfde stad en vaak in dezelfde straten als het abonnementspubliek van Bruckner en Mahler: één muziekstad met twee circuits naast elkaar.

De Tweede Weense School

Arnold Schönberg kwam uit de laat-romantische traditie en schreef aanvankelijk muziek die dicht bij Wagner en Mahler stond. Rond 1908 liet hij de toonsoort los, en in de jaren twintig ontwikkelde hij de twaalftoonstechniek om het materiaal opnieuw te ordenen.

Zijn twee belangrijkste leerlingen gingen elk een kant op. Alban Berg gebruikte de techniek soepel en hield de expressieve toon van de romantiek vast; Anton Webern gebruikte haar streng en schreef stukken van soms nog geen minuut.

Alle drie werden na 1933 uit het openbare muziekleven geduwd. Schönberg emigreerde naar de Verenigde Staten, Berg stierf in 1935, Webern kwam in 1945 door een ongeluk om het leven.

Tien namen, zeven graven in Wenen

De Oostenrijkse lijst is klein maar uitzonderlijk dicht: tien namen, en zeven van hen zijn in Wenen gestorven. Drie zijn er ook geboren. Geen andere stad in dit naslagwerk komt in verhouding daarbij in de buurt; Parijs telt er meer, maar uit een lijst die ruim twee keer zo lang is.

De spanne loopt van Walther von der Vogelweide, geboren rond 1170, tot Alban Berg uit 1885. Tussen Walther en Haydn staat echter niets: de eigenlijke lijst begint pas in de achttiende eeuw en is dan in honderdvijftig jaar compleet.

Die honderdvijftig jaar bevatten wel twee volledige omwentelingen: de klassieke stijl bij Haydn en Mozart, en de opheffing van de toonsoort bij Schönberg, Berg en Webern. Beide gebeurden binnen een straal van enkele kilometers.

Waarom uitgerekend Wenen

Wenen was tot 1918 de hoofdstad van een rijk dat van Noord-Italië tot Galicië reikte, en het trok personeel aan uit dat hele gebied. Mahler kwam uit Bohemen, Wolf uit het huidige Slovenië, Bruckner uit Opper-Oostenrijk; alleen Schönberg, Webern en Berg waren stadskinderen.

Wat de stad bood was niet één instelling maar een dichtheid: hofkapel, adellijke huisorkesten, theaters, uitgevers, een conservatorium en een publiek dat abonnementen nam. Een componist kon er van meerdere kleine bronnen tegelijk leven.

Dat verklaart ook waarom het zo lang doorliep. Toen de aristocratische opdrachtgevers wegvielen, namen verenigingen en abonnementsconcerten hun plaats in, en het netwerk bleef bestaan tot ver in de twintigste eeuw.

Oostenrijkse componisten in dit naslagwerk

De lijst staat op geboortejaar. Walther von der Vogelweide staat er als enige buiten de twee clusters: hij leefde rond 1200 en hoort bij de minnezang.

Veelgestelde vragen

Was Beethoven Oostenrijks of Duits?

Hij werd in Bonn geboren en staat in dit naslagwerk onder Duitsland. Vanaf zijn tweeëntwintigste woonde en werkte hij in Wenen, tot zijn dood in 1827.

Hij wordt daarom tot de Weense klassieken gerekend zonder Oostenrijker te zijn, de indeling hier volgt de geboorteplaats, niet de werkplaats.

Wat is de Tweede Weense School?

Schönberg, Berg en Webern, en de componisten die zich bij hun aanpak aansloten. De naam plaatst hen tegenover de Eerste Weense School, waarmee Haydn, Mozart en Beethoven bedoeld worden.

De aanduiding is achteraf ontstaan en was bedoeld om de continuïteit met de klassieke traditie te benadrukken, niet de breuk.

Waarom is Wenen zo belangrijk geworden?

Door een combinatie van politieke omvang, een muzikale adel en een sterke uitgeverij. Een componist kon er in één stad opdrachtgevers, uitvoerders, leerlingen en een drukker vinden.

Daar kwam bij dat de stad aan de grens van het Duitse, Italiaanse, Hongaarse en Slavische taalgebied ligt, waardoor materiaal uit al die richtingen samenkwam.

Welke Oostenrijkse componist wordt het meest uitgevoerd?

Wolfgang Amadeus Mozart, wiens opera's, concerten en symfonieën wereldwijd tot het kernrepertoire behoren.

In de symfonische zaal delen Mahler en Bruckner inmiddels een groot deel van die aandacht, vooral sinds de tweede helft van de twintigste eeuw.