
De middeleeuwen beslaan in dit naslagwerk de periode van ongeveer 500 tot 1400, verreweg de langste van de zeven stijlperiodes, en de enige waarvan het grootste deel van de muziek anoniem is gebleven. Wat we ervan kennen, kennen we omdat het werd opgeschreven, en opschrijven gebeurde vrijwel uitsluitend in kloosters en kathedraalscholen.
Dat verklaart meteen het beeld dat we van deze eeuwen hebben. Het eenstemmige gregoriaans is overgeleverd in honderden handschriften; de wereldlijke muziek die op markten en aan hoven klonk is vrijwel volledig verdwenen, op het repertoire van de troubadours en minnezangers na. De verhouding in de bronnen is dus geen verhouding in de werkelijkheid.
De uitvinding die deze periode van alle voorgaande scheidt, is de notatie. Zonder een manier om toonhoogte en duur vast te leggen bestaat er geen muziek die iemand anders dan de zanger zelf kan herhalen, en dus ook geen componist in de betekenis die het woord later krijgt. Met de notatie komt de meerstemmigheid, en met de meerstemmigheid komen de eerste namen.
Van neumen naar notenbalk
De vroegste notatie, de neumen, gaf niet meer dan de richting aan: hier gaat de melodie omhoog, hier omlaag. Ze was een geheugensteun voor wie het gezang al kende. In de elfde eeuw trok Guido van Arezzo lijnen door dat systeem en gaf hij die lijnen een vaste toonhoogte, daarmee werd voor het eerst leesbaar wat iemand nog nooit gehoord had.
Diezelfde Guido koppelde aan de zes tonen van het hexachord de lettergrepen ut, re, mi, fa, sol, la, ontleend aan een hymne op Johannes de Doper. Dat systeem staat aan het begin van de solmisatie die tot vandaag in muziekonderwijs wordt gebruikt. De termen zelf staan in het glossarium.
De stap daarna was het meten van de duur. De mensurale notatie van de dertiende eeuw legde vast hoe lang elke noot klonk ten opzichte van de andere, en pas daarmee werd complexe meerstemmigheid uitvoerbaar.
Ars antiqua en ars nova
In de kathedraal van Parijs ontstond rond 1200 de school van Notre-Dame, met Léonin en Pérotin als de eerste componisten van wie we zowel de naam als het werk kennen. Hun organa zetten twee, drie en zelfs vier stemmen boven een aangehouden gregoriaanse melodie. Deze stijl kreeg later de naam ars antiqua, de oude kunst.
De veertiende eeuw zette daar de ars nova tegenover: fijner geritmiseerd, ingewikkelder van bouw en veel vaker wereldlijk van tekst. Guillaume de Machaut is er de centrale figuur van, en tegelijk de eerste componist die zijn eigen verzamelde werk liet kopiëren, een gebaar dat aangeeft hoe sterk het besef van auteurschap intussen was gegroeid.
Buiten de kerk: troubadours en minnezangers
De wereldlijke muziek van deze eeuwen is grotendeels verdwenen, maar niet helemaal. Vanaf de twaalfde eeuw legden de troubadours in het zuiden van Frankrijk en de trouvères in het noorden hun liederen vast, en in het Duitse taalgebied deden de minnezangers hetzelfde. Het zijn eenstemmige liederen op eigen tekst, meestal over de hoofse liefde, en ze zijn overgeleverd in liedboeken die pas decennia na de dood van hun makers werden samengesteld.
Daarmee is de overlevering ervan van een andere orde dan die van het gregoriaans. De melodieën staan genoteerd zonder ritme: het handschrift geeft de toonhoogtes, maar niet hoe lang elke noot klinkt. Elke moderne uitvoering berust dus op een keuze die de bron niet maakt, en verschillende ensembles komen bij hetzelfde lied tot verschillende resultaten.
Wat deze liederen wel bewijzen is dat het besef van auteurschap buiten de kerk eerder ontstond dan erbinnen. Bij een troubadourslied hoort een naam, vaak ook een levensbeschrijving, terwijl de kerkelijke gezangen uit dezelfde eeuwen naamloos bleven. De componist als herkenbare figuur komt dus niet uit één richting.
Componisten uit de middeleeuwen: het overzicht
De componisten hieronder staan op geboortejaar. Bij veel middeleeuwse namen is dat jaar bij benadering bekend; waar de bron alleen een periode geeft, staat die in de biografie.
Guido van Arezzo Italië 991–1033
Walther von der Vogelweide Oostenrijk 1170–1230
Guillaume de Machaut Frankrijk 1300–1377
Johannes Ockeghem België 1410–1497 Veelgestelde vragen
Wanneer begint en eindigt de middeleeuwse muziek?
In dit naslagwerk loopt de middeleeuwse periode van ongeveer 500 tot 1400. Die grenzen zijn afspraken, geen feiten: het gregoriaans werd na 1400 gewoon doorgezongen, en de meerstemmige technieken van de ars nova liepen geleidelijk over in wat we renaissance noemen.
De ondergrens valt samen met het uiteenvallen van het West-Romeinse rijk en de opkomst van de kloostercultuur waarin de muziek werd opgeschreven. De bovengrens is de generatie van Dufay en Binchois, die al aan de andere kant van de scheiding wordt gerekend.
Waarom zijn zoveel middeleeuwse componisten anoniem?
Muziek werd opgeschreven voor gebruik in de eredienst, niet om iemands naam te bewaren. Een gezang was eigendom van de liturgie, niet van een maker. Pas met de meerstemmigheid van de Notre-Dame-school wordt de individuele vinding zo herkenbaar dat namen aan het werk blijven kleven.
Daar komt bij dat handschriften verloren gingen, hergebruikt werden als boekband of perkament, of nooit een naam droegen omdat iedereen in het klooster wist wie de kopiist was.
Wat is het verschil tussen gregoriaans en middeleeuwse meerstemmigheid?
Gregoriaans is eenstemmig: alle zangers zingen dezelfde melodie, zonder begeleiding en zonder vaste maat. Het vormt het oudste samenhangende repertoire dat we bezitten en is uitgebreid beschreven op de pagina over het gregoriaans.
Meerstemmigheid zet tegen die melodie een of meer zelfstandige stemmen. Het gregoriaanse gezang blijft daarbij vaak hoorbaar als de onderste, langzaam voortschrijdende stem, de cantus firmus.
Welke middeleeuwse componisten zijn het bekendst?
Guido van Arezzo om de notatie, Léonin en Pérotin om de Notre-Dame-organa, Walther von der Vogelweide om de Duitse minnezang, en Guillaume de Machaut als de grootste figuur van de ars nova. Hun pagina's staan in de lijst op deze pagina.