
Duitsland is in dit naslagwerk met afstand het sterkst vertegenwoordigd. Dat komt niet doordat er meer werd gecomponeerd dan elders, maar doordat het gebied eeuwenlang uit tientallen zelfstandige vorstendommen, vrije steden en bisdommen bestond, en elk daarvan hield er een eigen kapel, een eigen organist en een eigen hofmusicus op na.
Die versnippering is muzikaal een zegen geweest. Een componist die in Weimar geen ruimte kreeg kon het in Köthen proberen, en een organist die in Lübeck was opgeleid kon in Hamburg solliciteren. Het aantal betaalde posities per hoofd van de bevolking lag hoger dan waar ook in Europa.
De tweede oorzaak is het protestantse kerklied. De reformatie maakte van de gemeentezang een vast onderdeel van de eredienst, en daarmee van het koraal een melodie die iedereen kende. Eeuwenlang konden componisten daarop bouwen zonder iets te hoeven uitleggen.
De orgeltraditie in het noorden
In de noordelijke Hanzesteden groeide in de zeventiende eeuw een orgelcultuur die nergens anders zijn gelijke had. Dieterich Buxtehude in Lübeck was er de bekendste vertegenwoordiger van, en het was voor hem dat de jonge Bach in 1705 te voet vanuit Arnstadt vertrok, een reis die hij als vier weken had aangekondigd en die drie maanden duurde.
Wat die school kenmerkt is de zelfstandigheid van het pedaal en de vrije, improvisatorische opbouw van praeludium en fuga. Beide keren bij Bach terug, en via Bach in het orgelrepertoire van de hele negentiende eeuw.
Van koraal naar symfonie
Met Beethoven verschuift het zwaartepunt van kerk en hof naar de concertzaal. Zijn negen symfonieën worden voor drie generaties na hem de maat der dingen: Brahms wachtte tot zijn eenenveertigste voordat hij zijn eerste durfde te publiceren, en zei daarover dat je geen idee hebt hoe het is om zo'n reus achter je te horen marcheren.
Daarnaast blijft het lied een Duitse specialiteit. Schubert was weliswaar Oostenrijks, maar Schumann, Brahms en Wolf bouwden zijn genre uit tot een repertoire dat in geen enkel ander taalgebied zo dicht is.
Na 1900
De twintigste eeuw brak de Duitse muzikale continuïteit in tweeën. Hindemith en anderen emigreerden in de jaren dertig; wat achterbleef werd voor een deel dienstbaar gemaakt. Carl Orff bleef en had met Carmina Burana juist in die jaren zijn doorbraak.
Na 1945 werd Darmstadt het adres waar de naoorlogse avant-garde zich verzamelde, en werd de elektronische studio van de omroep in Keulen het laboratorium waarin Stockhausen werkte. Meer daarover op de pagina over de moderne periode.
De lijst in cijfers
Zesentwintig namen, van Heinrich Schütz uit 1585 tot Karlheinz Stockhausen uit 1928: ruim drieënhalve eeuw. De verdeling over de stijlperiodes is opvallend gelijkmatig, negen in de romantiek, zes in de barok, zes in de klassieke periode, vier in de twintigste eeuw en één in het moderne tijdvak. Geen ander land is in zoveel periodes met meerdere namen aanwezig.
Vier van de zesentwintig heten Bach: Johann Christoph, Johann Sebastian en diens zonen Carl Philipp Emanuel en Johann Christian. Ze staan in twee verschillende stijlperiodes, wat laat zien hoe snel de stijl in die decennia veranderde.
Drie van hen stierven in Londen (Händel, Johann Christian Bach en Weber) en drie in Leipzig. Die twee steden staan voor de twee uitwegen uit het versnipperde Duitse muziekleven: de Engelse concertmarkt en de Duitse kerk- en uitgeversstad.
Duitse componisten in dit naslagwerk
De lijst staat op geboortejaar en loopt van de zestiende tot de twintigste eeuw. Vier leden van de familie Bach staan er afzonderlijk in; hun onderlinge verhouding staat op de pagina van Johann Sebastian.
Dieterich Buxtehude Barok 1637–1707
Johann Christoph Bach Barok 1642–1703
Georg Philipp Telemann Barok 1681–1767
Johann Sebastian Bach Barok 1685–1750
Georg Friedrich Händel Barok 1685–1759
Carl Philipp Emanuel Bach Klassiek 1714–1788
Christoph Willibald Gluck Klassiek 1714–1787
Johann Christian Bach Klassiek 1735–1782
Ludwig van Beethoven Klassiek 1770–1827
Johann Nepomuk Hummel Klassiek 1778–1837
Louis Spohr Romantiek 1784–1859
Carl Maria von Weber Klassiek 1786–1826
Giacomo Meyerbeer Romantiek 1791–1864
Felix Mendelssohn Romantiek 1809–1847
Robert Schumann Romantiek 1810–1856
Richard Wagner Romantiek 1813–1883
Johannes Brahms Romantiek 1833–1897
Max Bruch Romantiek 1838–1920
Engelbert Humperdinck Romantiek 1854–1921
Richard Strauss 20ste eeuw 1864–1949
Max Reger Romantiek 1873–1916
Paul Hindemith 20ste eeuw 1895–1963
Carl Orff 20ste eeuw 1895–1982
Kurt Weill 20ste eeuw 1900–1950
Karlheinz Stockhausen Modern 1928–2007 Veelgestelde vragen
Welke Duitse componist is de belangrijkste?
Daar is geen objectief antwoord op, maar de invloed van Johann Sebastian Bach is het breedst: zijn werk is voor bijna elke latere componist studiemateriaal geweest, van Mozart tot Schönberg.
Wat bereik bij het publiek betreft staan Beethoven en Brahms voorop; hun symfonieën vormen de kern van vrijwel elk orkestseizoen.
Waarom telt Duitsland zoveel componisten?
Omdat het gebied tot 1871 uit honderden zelfstandige staten bestond, die elk hun eigen hofkapel, stadsmuzikanten en kerkorganisten bekostigden. Er waren simpelweg meer betaalde posities dan elders.
Daarbij kwam een sterk onderwijssysteem: Thomasschule, Kreuzschule en de latere conservatoria leverden generatie na generatie geschoolde musici af.
Wat is een koraal?
Een kerklied van de protestantse gemeente, met een melodie die iedereen uit het hoofd kende. Componisten gebruikten die bekende melodie als basis voor koraalvoorspelen, cantates en passies.
De term staat ook in het glossarium.
Horen Oostenrijkse componisten hier ook bij?
Nee. Mozart, Haydn, Schubert, Bruckner, Mahler, Schönberg, Berg en Webern staan in dit naslagwerk onder Oostenrijk, ook al deelden ze een taal met het Duitse gebied.
De indeling volgt het land van herkomst zoals de oorspronkelijke gegevens dat aangaven, niet het taalgebied.