Naar de inhoud
Componisten.net
Carl Nielsen, 1865–1931
Carl Nielsen, 1865–1931

Denemarken · 20ste eeuw

Carl Nielsen

Stijlperiode
20ste eeuw
Geboren
9 juni 1865Norre Lyndelse
Overleden
3 oktober 1931Kopenhagen

Leven

Carl Nielsen is een Deens componist, geboren op 9 juni 1865 te Norre Lyndelse, nabij Odense. Zijn ouders waren straatarme ambachtslui. Hij kreeg zijn eerste lessen in de muziek van de lokale onderwijzer en slaagde erin om in de fanfare van Odense aanvaard te worden. Na veel moeite konden zijn vrienden hem naar het conservatorium laten gaan. Slechts drie jaar later krijgt hij studiebeurzen om in Frankrijk, Duitsland en Italië te gaan studeren. Hij begon als violist aan de opera van Kopenhagen, waar hij in 1908 Svendsen mocht opvolgen als dirigent. In 1915 werd hij tot directeur van het conservatorium benoemd. Hij stierf op 3 oktober 1931 te Kopenhagen.

Belangrijkste werken

1892 Symfonie nr. 1 in gopus 7 orkest
1902 Saul og David opera
1906 Maskarade opera
1916 Symfonie nr. 4, Det Uudslukkeligeopus 29 orkest
1922 Symfonie nr. 5opus 50 orkest
1922 Blaaskwintetopus 43 kamermuziek
1926 Fluitconcert concert
1928 Klarinetconcertopus 57 concert

Betekenis

Nielsen groeide op als kind van een huisschilder en dorpsmuzikant op het eiland Funen, speelde als tiener trompet bij een militair korps, en kwam pas daarna op het conservatorium in Kopenhagen terecht. Die achtergrond is aan zijn muziek te horen: er zit iets ongepolijst en volks in dat bij zijn tijdgenoten zeldzaam was.

Zijn belangrijkste vinding noemde hij zelf de voortschrijdende tonaliteit: een symfonie begint in de ene toonsoort en eindigt in een andere, en de weg daartussen is geen modulatie maar een gevecht. De vierde en de vijfde symfonie zijn daar de duidelijkste voorbeelden van. Hij werd in hetzelfde jaar geboren als Jean Sibelius, en beide namen worden sindsdien in één adem genoemd, ten onrechte, want waar Sibelius zijn symfonieën steeds verder samenbalt, zoekt Nielsen juist de wrijving op.

In de finale van de vierde staan twee paukenisten aan weerszijden van het podium die elkaar letterlijk tegenwerken; in de vijfde krijgt de kleine trom de opdracht te improviseren alsof hij het orkest wil laten ophouden. Dat soort concrete, bijna theatrale ingrepen zijn zijn handelsmerk.

Zijn blaaskwintet en de concerten voor fluit en klarinet zijn geschreven met de persoonlijkheden van afzonderlijke spelers in gedachten; zie Deense componisten.

Zijn opera's zijn buiten Denemarken vrijwel onbekend en binnen Denemarken repertoire. Saul og David uit 1902 behandelt het bijbelverhaal zonder enige verheffing, en Maskarade uit 1906 is een komedie naar Holberg die als het nationale muziektheaterstuk geldt; de ouverture ervan wordt wereldwijd wel los gespeeld.

Eerst orkestmusicus, daarna componist

Nielsen groeide op als een van twaalf kinderen van een huisschilder die ’s avonds op dorpsfeesten speelde. Op zijn veertiende kwam hij als signaalhoornist en trombonist bij het militaire muziekkorps in Odense; dat was geen roeping maar een betrekking, en het was de enige die er was.

Van 1889 tot 1905 zat hij in de tweede violen van de Koninklijke Kapel in Kopenhagen, zestien seizoenen lang. Hij speelde in die jaren het hele operarepertoire van binnenuit, avond na avond, en dirigeerde het orkest daarna zelf van 1908 tot 1914.

Dat verklaart iets aan zijn partituren dat bij weinig componisten zo opvalt: alles is geschreven vanuit de wetenschap hoe het op de lessenaar ligt. De blaaspartijen zijn lastig maar liggen goed, en de concerten voor fluit en klarinet zijn zo op de spelers van het Kopenhaagse blaaskwintet geschreven dat hun karakters erin te herkennen zijn.

Zijn jeugdherinneringen schreef hij in 1927 op in Min fynske Barndom, een boek dat in Denemarken als literatuur wordt gelezen. Het verklaart waar het ongepolijste in zijn muziek vandaan komt: hij is nooit opgehouden te schrijven voor mensen die spelen omdat ze het leuk vinden.

Ook zijn liederen horen bij dat beeld. Nielsen schreef er honderden, op Deense teksten, uitdrukkelijk bedoeld om door gewone mensen in scholen en verenigingen te worden gezongen, met melodieën die in één keer te onthouden zijn. In Denemarken kent vrijwel iedereen ze, vaak zonder te weten van wie ze zijn, en ze staan in dezelfde bundels als de symfonieën die hem internationaal beroemd maakten.

Vragen over Nielsen

Wat is voortschrijdende tonaliteit?

Het principe dat een werk in een andere toonsoort eindigt dan waarin het begon, waarbij die verschuiving zelf het dramatische onderwerp is. Bij Nielsen heeft de eindtoonsoort de begintoonsoort overwonnen.

Welk werk van Nielsen moet je eerst horen?

De vierde symfonie, Det Uudslukkelige, geeft het snelst een beeld van zijn manier van werken. Voor kamermuziek is het blaaskwintet uit 1922 de aangewezen keuze.

Was Nielsen bekend buiten Denemarken?

Tijdens zijn leven nauwelijks. De internationale doorbraak kwam pas in de jaren vijftig, ruim twintig jaar na zijn dood, door opnamen van Britse en Amerikaanse dirigenten.

Wat is bijzonder aan zijn vijfde symfonie?

De kleine trom krijgt in het eerste deel de opdracht te improviseren alsof hij het orkest wil laten ophouden, een van de weinige keren dat een partituur een musicus vraagt het stuk tegen te werken.

Schreef Nielsen opera's?

Twee: Saul og David uit 1902 en Maskarade uit 1906. De tweede geldt in Denemarken als het nationale muziektheaterstuk; de ouverture wordt ook los uitgevoerd.