Leven
Albert Roussel was zeven jaar marineofficier voordat hij op zijn vijfentwintigste het besluit nam componist te worden. Zijn reizen naar Indochina en India in die jaren hebben zijn werk blijvend gekleurd: het ballet-opera Padmâvatî gebruikt Indiase toonladders en ritmes die hij ter plekke had genoteerd.
Hij studeerde aan de Schola Cantorum bij Vincent d'Indy en gaf er later zelf les; Erik Satie en Edgard Varèse zaten in zijn klas. Die strenge contrapuntische scholing bleef in al zijn werk hoorbaar, ook toen hij zich van het impressionisme afkeerde.
Zijn latere stijl is hoekig, motorisch en krachtig geritmeerd, met een klank die eerder aan Strawinsky en Prokofjev doet denken dan aan Debussy. De Derde symfonie uit 1930, geschreven voor het vijftigjarig bestaan van het Boston Symphony Orchestra, is daarvan het bekendste voorbeeld.
Het ballet Bacchus et Ariane uit 1931 wordt vooral in de vorm van de tweede suite uitgevoerd en geldt als zijn sterkste orkestwerk.
Hij was een van de weinige Franse componisten van zijn generatie die noch bij het impressionisme, noch bij Les Six, noch bij de kring rond Franck hoorde, een positie die hem lang buiten de overzichten heeft gehouden.
Belangrijkste werken
Betekenis
Roussel was zeven jaar marineofficier voordat hij op zijn vijfentwintigste besloot componist te worden. Zijn reizen naar Indochina en India in die jaren zijn hoorbaar gebleven: Padmâvatî gebruikt Indiase toonladders en ritmes die hij ter plekke had genoteerd.
Zijn latere stijl is hoekig, motorisch en krachtig geritmeerd, met een klank die eerder aan Strawinsky en Prokofjev doet denken dan aan Debussy. De Derde symfonie uit 1930, geschreven voor het vijftigjarig bestaan van het Boston Symphony Orchestra, is daarvan het bekendste voorbeeld.
Hij hoorde bij geen enkele groep (niet bij het impressionisme, niet bij Les Six, niet bij de kring rond Franck) en dat heeft hem lang buiten de overzichten gehouden. Als leraar aan de Schola Cantorum had hij Satie en Varèse in zijn klas.
Zijn kamermuziek en liederen vormen een apart en vaak overgeslagen deel van zijn werk. Het strijkkwartet uit 1932 en het trio voor fluit, altviool en cello uit 1929 laten dezelfde motorische ritmiek horen als de symfonieën, maar doorzichtiger; en zijn liederen op teksten van Henri de Régnier staan in de Franse liedtraditie tussen Fauré en Poulenc in.
Chittor, 1909
Roussel had als marineofficier Indochina gezien, en in 1909 maakte hij met zijn vrouw een lange reis door India en Zuidoost-Azië. Ze bezochten Ellora, Benares en de verlaten vestingstad Chittorgarh in Rajasthan, en die laatste plaats heeft zijn werk bepaald.
Aan Chittor hangt de geschiedenis van Padmâvatî, de koningin die zich met de vrouwen van de stad in het vuur wierp toen het beleg verloren was. Roussel hoorde het verhaal ter plaatse en maakte er de opera-ballet Padmâvatî van, waaraan hij van 1914 tot 1918 werkte en die pas in 1923 werd opgevoerd.
Voor de klank trok hij er conclusies uit. Hij gebruikt in dat werk Indiase toonladders (de raga’s als modale bouwstof, niet als kleur) en dat gaat verder dan de gebruikelijke oriëntaalse versiering van zijn Franse tijdgenoten.
De onmiddellijke opbrengst van de reis waren de Évocations uit 1911, drie symfonische schilderingen die hij bij terugkomst schreef. Daarna heeft hij het exotische losgelaten, maar het modale denken dat hij eraan overhield, is in de symfonieën blijven zitten.
Dat hij daarna nooit meer zo’n reis maakte, had een praktische reden. Roussel diende in de Eerste Wereldoorlog opnieuw, nu als chauffeur bij de ambulancedienst aan het front van Verdun, en kwam er met een aangetaste gezondheid uit. De jaren daarna woonde hij grotendeels aan de Normandische kust, waar hij de vier symfonieën schreef waaraan hij zijn plaats dankt.
Vragen over Roussel
Wat was Roussels eerste beroep?
Marineofficier. Hij diende zeven jaar bij de Franse marine en besloot pas op zijn vijfentwintigste componist te worden.
Wat is Padmâvatî?
Een ballet-opera uit 1918 naar een Indiase legende, met toonladders en ritmes die Roussel tijdens een reis door India had genoteerd.
Wat kenmerkt zijn latere stijl?
Hoekige, motorische ritmiek en een harde, heldere orkestklank die dichter bij Strawinsky en Prokofjev staat dan bij het Franse impressionisme waaruit hij voortkwam.
Wie waren zijn leerlingen?
Aan de Schola Cantorum onder anderen Erik Satie en Edgard Varèse; later gaf hij privéles aan onder meer Bohuslav Martinů.
Schreef Roussel ook kamermuziek?
Ja, onder meer een strijkkwartet, een strijktrio, een trio voor fluit, altviool en cello en een omvangrijk liedoeuvre. Het is doorzichtiger dan zijn orkestwerk en wordt zelden gespeeld.
