
De klassieke periode is de kortste van de zeven en tegelijk de meest bepalende voor wat een concertprogramma vandaag bevat. In zeventig jaar verschuift de muziek van de doorlopende beweging van de barok naar een taal van duidelijk afgebakende zinnen, met vraag en antwoord, rust en herneming.
Het woord klassiek betekent hier iets anders dan in het dagelijks spraakgebruik. In de brede zin is alle muziek op deze site klassieke muziek; als stijlperiode slaat het uitsluitend op deze zeventig jaar, met Wenen als middelpunt.
Drie componisten dragen het beeld: Joseph Haydn, die het langst leefde en het meeste vastlegde, Wolfgang Amadeus Mozart, die alles wat er was tot een vanzelfsprekendheid maakte, en Ludwig van Beethoven, die er binnen dezelfde vormen tegenaan begon te duwen.
De sonatevorm in gewone woorden
De sonatevorm is geen recept maar een dramatische aanleg. Er worden twee thema's neergezet in verschillende toonsoorten, dat is de expositie. Daarna worden ze uit elkaar gehaald, verplaatst en tegen elkaar uitgespeeld, de doorwerking. Ten slotte keren beide terug, nu in dezelfde toonsoort: de reprise.
Wat die vorm zo bruikbaar maakt is dat de luisteraar de terugkeer herkent zonder er iets voor te hoeven weten. De spanning zit in het verschil tussen wat je verwacht en wat je krijgt.
Bijna elk eerste deel van een symfonie, sonate, strijkkwartet of concert uit deze periode is zo gebouwd. De begrippen staan in het glossarium.
Het orkest wordt een vaste bezetting
In de barok was de bezetting van een orkest per hof verschillend. In de klassieke periode groeit er een standaard: strijkers als basis, daarbij paarsgewijs hobo's, fluiten, fagotten en hoorns, later klarinetten, met pauken en trompetten voor het feestelijke werk.
De basso continuo verdwijnt. De harmonie wordt voortaan door de blazers ingevuld in plaats van door een klavecimbel, en daarmee verdwijnt ook de improviserende begeleider uit het orkest.
Haydn kon dit alles uitproberen omdat hij dertig jaar lang een eigen orkest tot zijn beschikking had bij de familie Esterházy. Dat is de praktische reden dat juist hij zoveel vormen heeft vastgelegd.
Twaalf namen, twee generaties
De lijst hieronder telt twaalf componisten en loopt van Carl Philipp Emanuel Bach en Christoph Willibald Gluck, beiden geboren in 1714, tot Gioachino Rossini uit 1792. Dat zijn twee generaties in wat de kortste stijlperiode van de zeven is.
De eerste generatie staat nog met één been in de barok. C.P.E. Bach, zoon van Johann Sebastian, ontwikkelde de empfindsamer Stil waarin een stuk van stemming kan wisselen zonder waarschuwing, en Gluck haalde in zijn opera's de versiering weg om de handeling ruimte te geven. Johann Christian Bach, de jongste zoon, werkte in Londen en gaf daar les aan de achtjarige Mozart.
Ook buiten Wenen gebeurde er dus iets. Twee van de twaalf komen uit de Zuidelijke Nederlanden (Gossec en Grétry, beiden werkzaam in Parijs) en twee uit Italië. Zes zijn in Duitsland geboren.
Aan de andere kant staan Weber en Rossini al met hun gezicht naar de romantiek: de een met een opera vol bos, nacht en bijgeloof, de ander met een stembehandeling die de zanger in het middelpunt zet. De grens van 1820 loopt dwars door hun loopbaan heen.
Componisten uit de klassiek: het overzicht
De lijst is klein en dicht opeen: de kern van deze periode bestaat uit een handvol componisten die elkaar kenden, in dezelfde stad werkten en elkaars werk speelden.
Carl Philipp Emanuel Bach Duitsland 1714–1788
Christoph Willibald Gluck Duitsland 1714–1787
Franz Joseph Haydn Oostenrijk 1732–1809
François-Joseph Gossec België 1734–1829
Johann Christian Bach Duitsland 1735–1782
André-Modeste Grétry België 1741–1813
Muzio Clementi Italië 1752–1832
Wolfgang Amadeus Mozart Oostenrijk 1756–1791
Ludwig van Beethoven Duitsland 1770–1827
Johann Nepomuk Hummel Duitsland 1778–1837
Carl Maria von Weber Duitsland 1786–1826
Gioachino Rossini Italië 1792–1868 Veelgestelde vragen
Wat is het verschil tussen klassieke muziek en de klassieke periode?
Klassieke muziek is de brede aanduiding voor de westerse kunstmuziek van het gregoriaans tot vandaag, alles op deze site dus. De klassieke periode is één stijlperiode daarbinnen, ruwweg 1750 tot 1820.
Verwarring ligt voor de hand omdat het om hetzelfde woord gaat. In vakteksten wordt de periode daarom vaak het classicisme of de Weense klassieken genoemd.
Waarom staat Wenen zo centraal?
Wenen was de hoofdstad van een groot rijk met een adel die muziek als vanzelfsprekend onderdeel van het huishouden zag. Er was werk, er waren opdrachtgevers, er waren uitgevers en er was publiek.
Haydn, Mozart, Beethoven en Schubert werkten er alle vier, met een overlap van enkele decennia.
Hoeveel symfonieën schreef Haydn?
Honderdvier zijn er genummerd overgeleverd. Dat aantal zegt vooral iets over de functie: een symfonie was in zijn tijd geen zeldzame gebeurtenis maar gebruiksmuziek voor een hofkapel, en er werd er gemiddeld meer dan één per jaar gevraagd.
Bij Beethoven, twee generaties later, zijn het er negen, en elke afzonderlijke symfonie is dan een gebeurtenis geworden.
Wat is een strijkkwartet?
Twee violen, een altviool en een cello. De bezetting ontstaat in deze periode en wordt meteen de meest veeleisende vorm die er is: vier gelijkwaardige stemmen, geen plek om je achter te verschuilen.
Haydn schreef er ruim zestig en wordt daarom vaak de vader van het genre genoemd.