
Een akkoord is niets anders dan drie of meer tonen die tegelijk klinken. Wat het interessant maakt is dat sommige combinaties rust geven en andere spanning, en dat die spanning ergens heen wil. Op dat simpele gegeven is de hele westerse harmonie gebouwd.
Deze pagina legt uit hoe akkoorden zijn opgebouwd, waarom ze in een bepaalde volgorde worden gezet en wat u er praktisch mee kunt als u zelf speelt. De losse termen staan ook in het glossarium.
De drieklank: het basisbouwsel
Neem een toonladder en pak er de eerste, derde en vijfde toon uit. Bij C majeur zijn dat C, E en G. Die drie samen vormen een drieklank, en dat is het meest voorkomende akkoord in de hele muziekgeschiedenis.
De afstand tussen de onderste en de middelste toon bepaalt het karakter. Is die afstand groot, vier halve tonen, dan klinkt het akkoord majeur, opgewekt. Is hij een halve toon kleiner, dan klinkt het mineur, donkerder. Dat verschil van één toets is het verschil tussen vrolijk en droevig in bijna alle westerse muziek.
Daarnaast bestaan de verminderde drieklank (beide afstanden klein) en de overmatige (beide groot). Die twee klinken onaf en worden vrijwel altijd als doorgang gebruikt, nooit als rustpunt.
Waarom akkoorden ergens heen willen
De drieklank op de eerste trap van de toonladder, de tonica, is het thuisakkoord. De drieklank op de vijfde trap, de dominant, is het akkoord dat het sterkst naar huis trekt. Zet die twee achter elkaar en u hoort een afsluiting; zet ze in de omgekeerde volgorde en u hoort een opening.
Die trekkracht komt van één toon: de leidtoon, de zevende trap van de toonladder, die maar een halve toon onder de grondtoon ligt. Het oor wil hem omhoog laten gaan. Voeg aan de dominant een vierde toon toe, het dominantseptiemakkoord, en de trekkracht verdubbelt, omdat er een tweede toon bij komt die opgelost wil worden.
Vrijwel alle muziek uit de barok, de klassieke periode en de romantiek is op dat mechanisme gebouwd. Wat er in de twintigste eeuw gebeurde, was het loslaten ervan.
Omkeringen en ligging
Een akkoord blijft hetzelfde akkoord als je de onderste toon een octaaf omhoog legt. C-E-G wordt dan E-G-C, de eerste omkering, en daarna G-C-E, de tweede. De klank verandert wel: de eerste omkering is lichter, de tweede is onrustig en wordt meestal als doorgang gebruikt.
Omkeringen bestaan om de baslijn te laten lopen. Zonder ze zou de bas van akkoord naar akkoord springen; met omkeringen kan hij stap voor stap dalen of stijgen, en dat is precies wat een goed geschreven vierstemmige zetting onderscheidt van een reeks losse akkoorden.

Akkoorden vinden op piano en gitaar
Aan de piano is de drieklank een vast handpatroon: duim, middelvinger, pink, met steeds één toets ertussen overgeslagen. Wie dat patroon over de witte toetsen schuift, speelt achtereenvolgens alle drieklanken van C majeur, drie majeur, drie mineur en één verminderde.
Op de gitaar werkt het anders. Daar worden akkoorden bepaald door welke grepen fysiek mogelijk zijn, en de standaardstemming maakt bepaalde toonsoorten makkelijk en andere lastig. Dat is een van de redenen waarom gitaarmuziek zo vaak in E, A, D en G staat.
Dat verschil verklaart ook waarom Spaanse pianomuziek als gitaarmuziek klinkt: componisten als Albéniz vertaalden gitaargrepen naar het klavier.
Voorbij de drieklank
Vanaf de negentiende eeuw worden akkoorden groter en dubbelzinniger: septiem-, none-, undeciem- en tredeciemakkoorden stapelen meer tonen op elkaar. Bij Wagner wordt de oplossing zo lang uitgesteld dat de toonsoort minutenlang onhoorbaar blijft.
Debussy zette de volgende stap: bij hem hoeft een akkoord nergens meer heen. Hij schoof hele akkoorden parallel omhoog en omlaag, waarmee de functie verdween en alleen de klank overbleef.
Wie die ontwikkeling wil volgen, kan het beste de periodepagina's achter elkaar lezen; de tijdlijn zet ze in de juiste volgorde.
Veelgestelde vragen
Wat is het verschil tussen majeur en mineur?
De afstand tussen de onderste en de middelste toon van de drieklank. Bij majeur is die vier halve tonen, bij mineur drie. Eén toets verschil.
Dat verschil wordt in de westerse traditie als vrolijk tegenover droevig ervaren. Dat is grotendeels aangeleerd: in andere muziekculturen bestaat die koppeling niet.
Wat is een dominantseptiemakkoord?
De drieklank op de vijfde trap met daar een vierde toon bovenop, een kleine septiem boven de grondtoon. Bij C majeur is dat G-B-D-F.
Het bevat twee tonen die opgelost willen worden, en trekt daardoor sterker naar de tonica dan welk ander akkoord ook.
Hoeveel akkoorden moet je kennen om te kunnen spelen?
Voor het merendeel van het liedrepertoire volstaan de drieklanken op de eerste, vierde en vijfde trap plus de mineurdrieklank op de zesde. Dat zijn vier akkoorden per toonsoort.
Voor klassiek repertoire ligt dat anders: daar staan de akkoorden uitgeschreven en gaat het om lezen, niet om grepen.
Wat is een cadens?
Een vaste akkoordvolgorde die een frase afsluit, meestal dominant naar tonica. De term staat ook in het glossarium.
Er zijn verschillende soorten: de authentieke cadens sluit volledig af, de halve cadens laat de zin open, en de bedrieglijke cadens gaat naar een ander akkoord dan verwacht.