Naar de inhoud
Componisten.net
Joaquín Turina, 1882–1949
Joaquín Turina, 1882–1949

Spanje · 20ste eeuw

Joaquín Turina

Land
Spanje
Stijlperiode
20ste eeuw
Geboren
9 december 1882Sevilla
Overleden
14 januari 1949Madrid

Leven

Joaquín Turina, geboren op 9 december 1882 in Sevilla (Andalucië), was een van de vier componisten die tot de herleving van de Spaanse muziek aan het einde van de negentiende eeuw bijgedragen heeft. De andere drie waren Albéniz, Granados (de zogenaamde 'eerste generatie' en de Falla (die samen met Turina de 'tweede generatie' vormde). Deze vier componisten gaven de Spaanse nationale muziek een vernieuwde vorm.

Na zijn eerste studies in zijn geboortestad, ging Turina bij d'Indy en Mozkovsky in de leer aan de Schola Cantorum van Parijs (1905 - 1913). Hij leerde er onder andere Albéniz, de Falla, Debussy en Ravel kennen. In 1913 keerde hij terug naar Spanje waar hij zich voor de rest van zijn leven verbleef. Hij werd leraar aan het consevatorium van Madrid in 1931 en ontpopte zich al snel tot een bekend dirigent, koorleider en compositieleraar. Hij was tevens een en zeer invloedrijk muziekcriticus. Daarenboven werd hij de meest gerespecteerde componist van Spanje. Hij stierf te Madrid op 14 januari 1949.

Belangrijkste werken

1907 Pianokwintet in gopus 1 kamermuziek
1912 La procesión del Rocíoopus 9 orkest
1920 Sinfonía sevillanaopus 23 orkest
1922 Danzas fantásticasopus 22 orkest
1926 La oración del toreroopus 34 strijkkwartet
1930 Rapsodia sinfónicaopus 66 piano en strijkers

Betekenis

Turina studeerde tien jaar in Parijs, bij Vincent d'Indy aan de Schola Cantorum, en ontmoette daar Albéniz, die hem en Falla in een café toesprak met de boodschap dat ze Spaanse muziek moesten schrijven in plaats van Franse. Alle drie hebben zich daaraan gehouden.

Bij Turina levert dat een combinatie op die niemand anders zo heeft: de strenge vormleer van d'Indy (cyclische thema's, uitgewerkte structuren) toegepast op Andalusisch materiaal. Zijn stukken zijn daardoor beter gebouwd en minder rapsodisch dan bij veel van zijn landgenoten.

La oración del torero uit 1926, oorspronkelijk voor vier luiten en later voor strijkkwartet, is daarvan het beste voorbeeld: een stierenvechter die vlak voor het gevecht in de kapel bidt, terwijl het rumoer van de arena hoorbaar blijft.

Hij werkte na 1914 in Madrid als criticus, hoogleraar en organisator, en werd na de burgeroorlog benoemd tot commissaris-generaal voor de muziek. Zie Spaanse componisten.

Naast zijn orkest- en kamermuziek schreef hij een omvangrijk pianorepertoire en een handboek, de Enciclopedia abreviada de música, dat in Spanje decennialang werd gebruikt. Als criticus van het dagblad El Debate en als hoogleraar aan het conservatorium van Madrid had hij bovendien een positie van waaruit hij het Spaanse muziekleven mede vormgaf.

De stad als programma

Turina schreef ongewoon vaak over één bepaalde plek op één bepaald moment. La procesión del Rocío uit 1912 volgt de bedevaart die vanuit de wijk Triana in Sevilla vertrekt; de Sinfonía sevillana is geen symfonie met thema’s maar drie plaatsen: de rivier, de wijk en het feest.

Dat is iets anders dan de Spaanse kleur die noordelijke componisten aanbrachten. Hij schreef over straten waar hij was opgegroeid, en de saeta, de copla en de processiemars zijn bij hem geen exotische inzetsels maar geluiden die hij als kind door het raam hoorde.

Tegelijk hield hij vast aan wat hij bij d’Indy in Parijs had geleerd: cyclische bouw, degelijke sonatevorm, thema’s die door de delen heen terugkeren. Die combinatie, Andalusische stof in een Franse vorm, is precies wat hem van Falla onderscheidt.

Het heeft hem in de twintigste eeuw een lastige plaats bezorgd. Voor wie het nationalisme verweet dat het ansichtkaarten produceerde, is hij te schilderend; voor wie van de Spaanse school kleur verwacht, is hij te schools. Zijn kamermuziek, waarin de vorm het wint, wordt daarom pas sinds kort werkelijk gehoord.

Vragen over Turina

Wat is La oración del torero?

Een stuk uit 1926, oorspronkelijk voor vier luiten en later voor strijkkwartet, over een stierenvechter die vlak voor het gevecht in de kapel bidt terwijl de arena hoorbaar blijft.

Wat onderscheidt Turina van Falla?

Turina bracht de strenge vormleer van d'Indy mee uit Parijs en paste die toe op Andalusisch materiaal. Zijn werken zijn daardoor formeel hechter en minder rapsodisch dan die van Falla.

Wat is het verhaal met Albéniz?

Albéniz sprak Turina en Falla in 1907 in een Parijs café toe met de boodschap dat ze Spaanse muziek moesten schrijven op basis van de eigen volksmuziek in plaats van Franse muziek na te doen.

Wat zijn de Danzas fantásticas?

Drie orkestdansen uit 1922 (Exaltación, Ensueño en Orgía) op Spaanse dansritmen. Het is zijn meest uitgevoerde orkestwerk.

Schreef Turina ook over muziek?

Ja, hij was muziekcriticus van het dagblad El Debate en schreef de Enciclopedia abreviada de música, een handboek dat in Spanje decennialang in gebruik bleef.