
Vrijwel elk woord dat op een partituur staat is Italiaans. Allegro, piano, crescendo, sonata, opera, concerto, de termen zijn blijven staan omdat de praktijk waarin ze ontstonden, die van de zeventiende en achttiende eeuw, in heel Europa als maatstaf gold. Ze staan alle in het glossarium.
Italië levert in dit naslagwerk drie takken. De eerste is de opera, van Monteverdi via Rossini naar Verdi en Puccini. De tweede is de vioolmuziek, gebouwd op de instrumenten uit Cremona en het spel van Corelli, Vivaldi, Locatelli en later Paganini. De derde is het klavier: Frescobaldi aan het begin, Domenico Scarlatti met zijn ruim vijfhonderd sonates aan het eind.
Wat de drie verbindt is het primaat van de zingende lijn. Ook in instrumentale Italiaanse muziek staat de melodie voorop, het instrument doet na wat de stem voordeed.
De uitvinding van de opera
Rond 1600 kwam in Florence een kring van dichters en musici tot de conclusie dat de meerstemmigheid de tekst had verstikt, en dat de Griekse tragedie een model bood: één zingende stem boven een dragende bas. De eerste werken die daaruit voortkwamen zijn nauwelijks nog te horen; Monteverdi's Orfeo uit 1607 is het eerste dat het repertoire heeft gehaald.
Binnen dertig jaar was het genre uit het hof naar de stad verhuisd. In 1637 opende in Venetië een operahuis waar iedereen met geld naar binnen kon, en daarmee werd opera voor het eerst een commerciële onderneming.
Die commerciële kant heeft het genre nooit meer losgelaten, en verklaart veel van wat er in de negentiende eeuw gebeurt: Verdi schreef voor een publiek dat betaalde, en dat hoor je aan de directheid van zijn melodieën.
Cremona en het vioolspel
De vioolbouwers van Cremona (Amati, Stradivari, Guarneri) leverden tussen 1550 en 1750 instrumenten die tot vandaag onovertroffen zijn. Dat is geen toeval maar een ambachtelijke traditie van drie families in één stad, doorgegeven van meester op leerling.
Op die instrumenten ontstond het repertoire. Corelli legde de triosonate en het concerto grosso vast, Vivaldi het soloconcert, Locatelli de virtuositeit die een eeuw later bij Paganini zijn uiterste vorm kreeg.
Negenhonderd jaar in eenentwintig namen
Geen enkel land in dit naslagwerk beslaat zoveel tijd als Italië: van Guido van Arezzo, geboren rond 991, tot Luciano Berio uit 1925. Bijna duizend jaar, en in elk van de zeven stijlperiodes staat ten minste één Italiaanse naam.
Het zwaartepunt ligt niettemin scherp: negen van de eenentwintig horen bij de barok. Dat is de periode waarin Italië de vormen leverde waar de rest van Europa mee verderging.
Rome is de sterfplaats van zes van hen, meer dan elke andere stad. Maar de eenentwintig namen komen uit eenentwintig verschillende geboorteplaatsen: van Palermo tot Venetië is er geen enkele dubbele. Italië had geen muzikale hoofdstad, het had er tien.
Italiaanse componisten in dit naslagwerk
De lijst staat op geboortejaar en loopt van Frescobaldi tot Respighi. Twee Scarlatti's staan er afzonderlijk in: vader Alessandro en zoon Domenico.
Guido van Arezzo Middeleeuwen 991–1033
Giovanni Pierluigi da Palestrina Renaissance 1525–1594
Carlo Gesualdo Renaissance 1566–1613
Claudio Monteverdi Renaissance 1567–1643
Girolamo Frescobaldi Barok 1583–1643
Giacomo Carissimi Barok 1605–1674
Jean-Baptiste Lully Barok 1632–1687
Arcangelo Corelli Barok 1653–1713
Alessandro Scarlatti Barok 1660–1725
Antonio Vivaldi Barok 1678–1741
Domenico Scarlatti Barok 1685–1757
Pietro Locatelli Barok 1695–1764
Giovanni Battista Pergolesi Barok 1710–1736
Muzio Clementi Klassiek 1752–1832
Niccolò Paganini Romantiek 1782–1840
Gioachino Rossini Klassiek 1792–1868
Giuseppe Verdi Romantiek 1813–1901
Giacomo Puccini Romantiek 1858–1924
Ferruccio Busoni 20ste eeuw 1866–1924
Ottorino Respighi 20ste eeuw 1879–1936
Luciano Berio Modern 1925–2003 Veelgestelde vragen
Waarom staan Italiaanse termen op alle partituren?
Omdat de praktijk waarin die aanduidingen ontstonden, de Italiaanse opera en instrumentale muziek van de zeventiende en achttiende eeuw, in heel Europa toonaangevend was. Wie mee wilde doen, gebruikte de woorden die de uitgevers en uitvoerders kenden.
Sommige componisten hebben het bewust anders gedaan. Schumann schreef Duitse aanwijzingen, Satie Franse, en beide keren viel dat op.
Wie is de belangrijkste Italiaanse componist?
Voor de opera Giuseppe Verdi, die het genre een halve eeuw lang droeg en er met Otello en Falstaff op hoge leeftijd nog twee meesterwerken aan toevoegde.
Voor de instrumentale muziek Antonio Vivaldi, wiens concertvorm via Bach doorwerkte in de hele Duitse traditie.
Was Lully Italiaans of Frans?
Hij werd in Florence geboren als Giovanni Battista Lulli en kwam als tiener naar Frankrijk, waar hij Jean-Baptiste Lully werd en de Franse hofopera vormgaf.
In dit naslagwerk staat hij onder Italië, naar geboorteland; muzikaal hoort hij bij Frankrijk.
Wat is bel canto?
Letterlijk fraaie zang: een zangstijl en een operarepertoire uit de eerste helft van de negentiende eeuw waarin de soepelheid en de lijn van de stem alles bepalen.
Rossini is er in dit naslagwerk de belangrijkste vertegenwoordiger van. De term staat ook in het glossarium.