Naar de inhoud
Componisten.net

Denemarken

Deense componisten: een traditie rond één symfonicus

Zes symfonieën waarin twee toonsoorten met elkaar om de voorrang strijden, een idee dat Nielsen voor zichzelf uitvond.

1componisten
1stijlperiodes
1865vroegste geboortejaar
Papieren havenkade met een klarinet en gescheurde stroken in wijnrood en roze (met AI gemaakte afbeelding)AI
Havenkade en klarinet · Met AI gemaakte afbeelding

Denemarken had in de negentiende eeuw een levendig muziekleven in Kopenhagen, met een koninklijke kapel die tot de oudste van Europa behoort, maar leverde lang geen componist van internationale betekenis. Carl Nielsen veranderde dat.

Hij groeide op als kind van een huisschilder en dorpsmuzikant op Funen, speelde als tiener trompet bij een militair korps en kwam pas daarna op het conservatorium terecht. Die achtergrond is aan zijn muziek te horen: er zit iets ongepolijst en volks in dat bij zijn tijdgenoten zeldzaam was.

Zijn belangrijkste vinding is wat hij zelf de voortschrijdende tonaliteit noemde: een symfonie begint in de ene toonsoort en eindigt in een andere, en de weg daartussen is niet een modulatie maar een gevecht.

De zes symfonieën

De vierde, Het onuitblusselijke uit 1916, is de bekendste: in de finale staan twee paukenisten aan weerszijden van het podium die elkaar letterlijk tegenwerken, en het hele stuk gaat over de wil om door te gaan.

De vijfde uit 1922 bevat een passage waarin de kleine trom de opdracht krijgt te improviseren alsof hij het orkest wil laten ophouden. Dat soort concrete, bijna theatrale ingrepen zijn Nielsens handelsmerk.

Muziek voor blazers

Nielsen schreef een blaaskwintet en concerten voor fluit en klarinet, en had het plan er voor elk lid van dat kwintet een te schrijven. Hij stierf voordat het af was.

Die werken behoren tot de kern van het blazersrepertoire, en zijn geschreven met de persoonlijkheden van de vijf spelers in gedachten, de klarinetconcert is even grillig als de speler voor wie het bestemd was.

Kopenhagen als muziekstad

De Deense hofkapel, het Kongelige Kapel, gaat terug tot 1448 en behoort daarmee tot de oudste orkesten ter wereld. In de zestiende eeuw werkten er Engelse lutenisten en Nederlandse componisten, en rond 1600 was het een van de best betalende ensembles van Noord-Europa; John Dowland bracht er acht jaar door.

Die continuïteit verklaart waarom Denemarken een sterk uitvoeringsleven had lang voordat het eigen componisten van formaat voortbracht. Het Koninklijk Theater combineert tot vandaag opera, ballet en toneel in één instelling, een model dat elders zeldzaam is.

In de negentiende eeuw werd Niels Gade de centrale figuur: hij dirigeerde het Gewandhausorkest in Leipzig na Mendelssohns dood, keerde terug naar Kopenhagen en bouwde daar het concertleven op waarin Nielsen een generatie later werd opgeleid.

Nielsen naast Grieg en Sibelius

Scandinavië levert in dit naslagwerk drie namen, één per land: Edvard Grieg uit 1843, Jean Sibelius uit 1865 en Carl Nielsen uit datzelfde jaar 1865. Ze staan hier in twee verschillende stijlperiodes (Grieg bij de romantiek, de andere twee bij de twintigste eeuw) en dat verschil is hoorbaar.

De vergelijking met Sibelius ligt het meest voor de hand, en ze werden in hun eigen tijd ook tegen elkaar afgezet: dezelfde geboortejaargang, allebei zes of zeven symfonieën, allebei buiten de Duitse hoofdstroom. Waar Sibelius zijn materiaal uit het landschap en de Kalevala haalde, komt dat van Nielsen uit het dorpsleven van Funen.

Het verschil in toon is even groot. Sibelius wordt met de jaren karig en donker; Nielsen blijft koppig en vaak ronduit humoristisch, ook in zijn late werk.

Maskarade en de liederen

Nielsen schreef twee opera’s. Saul og David uit 1902 is bijbels en ernstig; Maskarade uit 1906, naar een blijspel van Holberg, geldt in Denemarken als de nationale opera en staat er nog geregeld op het programma.

Daarnaast liggen er ruim tweehonderd liederen, waarvan een deel zo bekend werd dat het inmiddels als volkslied wordt ervaren. Dat is bij Nielsen geen bijzaak: hij vond uitdrukkelijk dat een componist ook voor gewone zangers moest schrijven.

Zijn herinneringen aan zijn jeugd, Min fynske Barndom uit 1927, worden in Denemarken als literatuur gelezen. Ze verklaren waar het ongepolijste in zijn muziek vandaan komt.

Deense componisten in dit naslagwerk

Denemarken is in dit naslagwerk met één naam vertegenwoordigd.

Veelgestelde vragen

Wat is voortschrijdende tonaliteit?

Het principe dat een werk in een andere toonsoort eindigt dan waarin het begon, en dat die verschuiving zelf het onderwerp van het stuk is.

Bij Nielsen is dat geen technische truc maar een dramatisch gegeven: de toonsoort waarin het stuk eindigt heeft de andere overwonnen.

Welk werk van Nielsen moet je eerst horen?

De vierde symfonie, Det Uudslukkelige, is het toegankelijkste ingangspunt en geeft meteen een goed beeld van zijn manier van werken.

Voor kamermuziek is het blaaskwintet uit 1922 de aangewezen keuze.

Was Nielsen bekend buiten Denemarken?

Tijdens zijn leven nauwelijks. Zijn internationale doorbraak kwam pas in de jaren vijftig, ruim twintig jaar na zijn dood, toen Amerikaanse en Britse dirigenten zijn symfonieën opnamen.

In Denemarken was hij wel een nationale figuur; zijn portret stond jarenlang op het bankbiljet van honderd kroon.

Zijn er andere Deense componisten?

Ja: Niels Gade in de negentiende eeuw, Rued Langgaard als tijdgenoot van Nielsen, en Per Nørgård in de twintigste.

In de oorspronkelijke gegevens van dit naslagwerk is alleen Nielsen opgenomen.