
De barok begint met een programma. Rond 1600 kwam in Florence een groep dichters en musici tot de slotsom dat de meerstemmigheid van de renaissance de tekst onverstaanbaar had gemaakt, en dat muziek terug moest naar één zingende stem boven een dragende bas. Uit dat idee komen de opera, het oratorium en de cantate voort. De barokcomponisten van die eeuwen deelden één techniek en verder weinig.
De bas die daaronder ligt is de vinding die de hele periode kenmerkt: de basso continuo. Eén of twee spelers (klavecimbel of orgel, met cello, gamba of fagot) spelen een doorlopende baslijn met cijfers eronder die de akkoorden aangeven. Boven die bodem kan alles gebeuren.
Tegelijk ontstaat het instrumentale repertoire als zelfstandige kunstvorm. Het concerto grosso, het soloconcert, de triosonate en de orkestsuite krijgen in deze anderhalve eeuw hun vorm, en die vormen blijven bruikbaar lang nadat de stijl zelf uit de mode is.
Barokmuziek: basso continuo en de becijferde bas
Een barokpartituur is zelden volledig uitgeschreven. Onder de baslijn staan cijfers die aangeven welke intervallen boven die noot moeten klinken; de klavecinist vult die akkoorden ter plekke in. Dat betekent dat twee uitvoeringen van hetzelfde stuk werkelijk van elkaar verschillen, zonder dat een van beide fout is. Vrijwel alle componisten uit de barok schreven op die basis.
De term en de bijbehorende begrippen (continuo, ripieno, concertino) staan in het glossarium.
Het gevolg voor de klank is ingrijpend: er is altijd een harmonisch fundament hoorbaar. Waar renaissancemuziek uit lijnen bestaat die samen akkoorden opleveren, bestaat barokmuziek uit akkoorden waarboven lijnen worden gespannen. Die bodem is het kenmerk waaraan barokmuziek in één maat te herkennen is.
Opera, oratorium, concert
De opera is het kind van de Florentijnse discussie en groeit binnen dertig jaar uit tot publiek vermaak: in 1637 opent in Venetië het eerste operahuis waar men een kaartje kon kopen. Monteverdi werkte daar aan het eind van zijn leven. De beroemde barokcomponisten zijn in alle drie de genres terug te vinden.
Het oratorium is de geestelijke tegenhanger, zonder decor en zonder toneelspel, en werd in Engeland door Händel tot het kernrepertoire van het koorwezen gemaakt. Bachs passies horen tot dezelfde familie.
Het soloconcert ten slotte is grotendeels het werk van Vivaldi, die er de driedelige vorm snel–langzaam–snel aan gaf die tot vandaag de norm is. Bach schreef een aantal van die concerten voor klavecimbel over en nam de vorm daarmee mee naar Duitsland.
De beroemde barokcomponisten: Italië vindt uit, de rest neemt over
De negentien barokcomponisten in dit naslagwerk komen uit vijf landen, maar niet in gelijke mate: negen uit Italië, zes uit Duitsland, twee uit Frankrijk en elk één uit Engeland en de Zuidelijke Nederlanden. Die verhouding is de periode in één cijfer: de vormen worden in Italië bedacht en daarbuiten overgenomen. Het overzicht hieronder laat zien hoe die verspreiding liep.
Bach is daarvan het duidelijkste voorbeeld. Hij is nooit in Italië geweest, maar schreef een reeks concerten van Vivaldi over voor klavecimbel en orgel, deels om ze te leren kennen, deels om ze te kunnen spelen. Wat hij daar leerde over vorm en harmonisch tempo staat vervolgens in zijn eigen concerten.
Frankrijk hield zich als enige grotendeels afzijdig. Aan het hof van Lodewijk XIV bouwde Lully, zelf in Florence geboren, een eigen traditie met de tragédie lyrique en de dansuite, en Rameau zette die voort. De ruzie tussen aanhangers van de Italiaanse en de Franse smaak heeft in Parijs twee eeuwen geduurd.
Opvallend is verder hoe dicht de hoofdgeneratie op elkaar zit: Bach, Händel en Domenico Scarlatti zijn alle drie in 1685 geboren, Rameau twee jaar eerder. Vier van de bepalende figuren van de late barok scheelden dus geen halve generatie. De beroemde namen van de periode staan in dat overzicht bij elkaar. De beroemde barokcomponisten uit Italië, Duitsland, Frankrijk en Engeland staan verderop bij elkaar in het overzicht.
Componisten uit de barok: het overzicht
Op geboortejaar geordend ligt het zwaartepunt van deze lijst tussen 1650 en 1690, de generatie van Bach, Händel, Scarlatti en Rameau, allemaal binnen een paar jaar van elkaar geboren. Barokmuziek uit deze lijst is in vrijwel elk concertprogramma terug te vinden. De componisten uit de barok staan hieronder op naam; barokmuziek van deze namen vult nog altijd het repertoire.
Girolamo Frescobaldi Italië 1583–1643 Heinrich Schütz Duitsland 1585–1672
Giacomo Carissimi Italië 1605–1674
Jean-Baptiste Lully Italië 1632–1687
Dieterich Buxtehude Duitsland 1637–1707
Johann Christoph Bach Duitsland 1642–1703
Arcangelo Corelli Italië 1653–1713
Henry Purcell Groot Brittannië 1659–1695
Alessandro Scarlatti Italië 1660–1725
François Couperin Frankrijk 1668–1733
Antonio Vivaldi Italië 1678–1741 Jean-Baptiste Loeillet België 1680–1730
Georg Philipp Telemann Duitsland 1681–1767
Jean-Philippe Rameau Frankrijk 1683–1764
Johann Sebastian Bach Duitsland 1685–1750
Georg Friedrich Händel Duitsland 1685–1759
Domenico Scarlatti Italië 1685–1757
Pietro Locatelli Italië 1695–1764
Giovanni Battista Pergolesi Italië 1710–1736 Veelgestelde vragen
Waarom heet deze periode barok?
Het woord komt uit het Portugees, waar barroco een onregelmatig gevormde parel aanduidt. Het werd in de achttiende eeuw als scheldwoord gebruikt voor kunst die als overladen en grillig gold.
Pas in de negentiende eeuw werd het een neutrale stijlaanduiding. De componisten die wij barokcomponisten noemen hebben zichzelf nooit zo genoemd.
Wanneer eindigt de barok?
De conventie legt het einde bij 1750, het sterfjaar van Johann Sebastian Bach. Dat is een symbolische datum, geen stilistische: de galante stijl die naar het classicisme leidt was toen al twintig jaar in ontwikkeling, onder anderen bij Bachs eigen zonen.
Omgekeerd werd in kerkmuziek nog decennialang barok geschreven.
Wat is het verschil tussen concerto grosso en soloconcert?
In een concerto grosso staat een kleine groep solisten, het concertino, tegenover het volledige orkest. De afwisseling tussen die twee klankgroepen is het hele principe.
In een soloconcert staat één instrument tegenover het orkest. Vivaldi schreef beide, maar zijn soloconcerten voor viool zijn het model geworden.
Welke barokcomponisten moet je kennen?
Monteverdi voor de vroege opera, Corelli en Vivaldi voor het Italiaanse instrumentale repertoire, Purcell voor Engeland, Rameau en Couperin voor Frankrijk, en Bach en Händel als de twee figuren die alles samenbrengen. Al hun pagina's staan in de lijst hieronder.