Leven
Guido van Arezzo is de benedictijn aan wie de westerse muziek haar notatie dankt. Hij werkte als zangmeester in Pomposa en later in Arezzo, en ontwikkelde daar een systeem dat het aanleren van gezangen van jaren tot maanden terugbracht, een winst die hij in zijn brieven met trots vermeldt.
Zijn eerste ingreep was de notenbalk. De neumen die tot dan toe boven de tekst stonden gaven alleen de richting aan; Guido trok er lijnen door en gaf die lijnen een vaste toonhoogte, met een gekleurde lijn voor de f en de c. Daarmee werd voor het eerst leesbaar wat iemand nog nooit had gehoord.
Zijn tweede ingreep was de solmisatie. Aan de zes tonen van het hexachord koppelde hij de lettergrepen ut, re, mi, fa, sol, la, ontleend aan de hymne Ut queant laxis op Johannes de Doper, waarin elke regel een toon hoger begint. Dat systeem wordt in muziekonderwijs nog altijd gebruikt.
Daarbij hoort de Guidonische hand: een geheugensteun waarbij elk kootje van de linkerhand voor een toon staat, zodat een zangmeester de melodie kon aanwijzen. Of Guido die zelf heeft bedacht is onzeker; de toeschrijving is later.
Zijn traktaat Micrologus uit ongeveer 1026 was na Boëthius het meest gelezen muziektheoretische werk van de middeleeuwen. Paus Johannes XIX liet hem naar Rome komen om het systeem te demonstreren.
Belangrijkste werken
Betekenis
Guido's uitvindingen zijn zo volledig opgegaan in de praktijk dat ze onzichtbaar zijn geworden. De notenbalk met vaste toonhoogtes, de lettergrepen ut re mi fa sol la, en het idee dat een melodie te lezen valt zonder haar ooit gehoord te hebben, alle drie komen hier vandaan. Het repertoire waarvoor hij dat alles ontwierp was het gregoriaans, dat tot dan toe volledig uit het hoofd werd doorgegeven.
Hij beschreef het praktische nut zelf: waar een zanger vroeger tien jaar nodig had om het repertoire uit het hoofd te leren, kon dat nu binnen een jaar of twee. Die winst is de reden dat het systeem zich zo snel over Europa verspreidde.
De lettergrepen komen uit de hymne Ut queant laxis op Johannes de Doper, waarin elke regel een toon hoger begint dan de vorige. Later werd ut in de meeste talen vervangen door do en kwam si erbij als zevende toon.
Zijn systeem verspreidde zich opvallend snel, en dat had een praktische reden: kloosters concurreerden om zangers, en een school waar men in twee jaar leerde wat elders tien jaar kostte, had een voorsprong. Paus Johannes XIX liet Guido naar Rome komen om het te demonstreren en leerde er naar verluidt ter plekke een gezang uit dat hij nooit had gehoord, precies het punt dat Guido wilde maken.
De paus die het zelf wilde proberen
Guido vertelt het verhaal in een brief die bewaard is gebleven, de Epistola de ignoto cantu. Hij werkte als monnik in de abdij van Pomposa, waar zijn methode zo veel afgunst wekte dat hij vertrok; in Arezzo werd hij zangmeester van de kathedraal.
Toen het gerucht Rome bereikte dat er in Arezzo jongens zongen wat ze nooit hadden gehoord, riep paus Johannes XIX hem naar zich toe. Volgens de brief zette de paus zich neer met een antifonarium, zong met Guido’s tekens een gezang dat hij niet kende, en stond niet op voordat hij het uit had.
De inzet was geen theorie maar tijd. Een zanger had tot dan toe ongeveer tien jaar nodig om het repertoire uit het hoofd te leren; met de notenbalk, de sleutels en de lettergrepen kon dat in één tot twee jaar, en dat was voor elke kerk direct in geld uit te drukken.
Dat is dan ook de reden dat het systeem zich binnen een eeuw over heel Europa verspreidde. Het is een van de weinige gevallen waarin een uitvinding in de muziek zich verbreidde omdat ze goedkoper was.
Vragen over Arezzo
Wat vond Guido van Arezzo uit?
De gelinieerde notenbalk met vaste toonhoogtes en de solmisatie met de lettergrepen ut, re, mi, fa, sol, la. Samen maakten die muziek leesbaar voor wie haar nooit had gehoord.
Waar komen do re mi vandaan?
Uit de beginlettergrepen van de regels van de hymne Ut queant laxis, waarin elke regel een toon hoger begint. Ut werd later in de meeste talen do.
Wat is de Guidonische hand?
Een geheugensteun waarbij elk kootje van de linkerhand voor een toon staat, zodat een zangmeester een melodie kon aanwijzen. Of Guido die zelf bedacht heeft is onzeker.
Wat is het Micrologus?
Zijn traktaat uit ongeveer 1026 over zang en notatie, na Boëthius het meest gelezen muziektheoretische werk van de middeleeuwen.
Hoe snel verspreidde zijn systeem zich?
Binnen enkele decennia door heel West-Europa. De reden was praktisch: waar een zanger eerder tien jaar nodig had om het repertoire uit het hoofd te leren, kon dat nu in ongeveer twee.
