
De Argentijnse kunstmuziek is een twintigste-eeuws verschijnsel. Buenos Aires had rond 1900 een operahuis van wereldformaat, het Teatro Colón, maar het repertoire dat daar klonk was Italiaans en Duits.
Alberto Ginastera was de eerste Argentijnse componist die internationaal doorbrak. Zijn vroege werk put uit de muziek van de gaucho's (de dansritmen van de malambo, de open kwinten van de gitaarstemming) en zijn late werk sluit aan bij de Europese avant-garde.
Astor Piazzolla, zijn leerling, deed iets anders en riskanters: hij nam de tango, een dans- en cafégenre, en behandelde die als concertmuziek. In Argentinië werd dat lange tijd als verraad gezien; buiten Argentinië maakte het hem beroemd.
De gitaarstemming van de gaucho
De Argentijnse gitaar wordt vaak op een open akkoord gestemd, en de zes open snaren samen leveren een klank op die in Ginastera's werk voortdurend terugkeert, het zogenoemde gaucho-akkoord, dat hij aan het begin of eind van een stuk als handtekening plaatste.
Die klank is bovendien de reden dat Argentijnse muziek zo herkenbaar klinkt zonder folkloristisch te zijn: het akkoord is authentiek materiaal, maar het gebruik ervan is volledig eigen.
De tango in de concertzaal
Piazzolla studeerde in Parijs bij Nadia Boulanger, die hem naar verluidt vroeg zijn eigen muziek te spelen. Toen hij een tango speelde zei ze dat hij die moest volgen en niet Strawinsky.
Wat daaruit kwam heet nuevo tango: de bandoneon blijft, maar de vorm wordt uitgebreid met fuga's, dissonanten en jazzharmonie. Zijn Adiós Nonino en Libertango behoren tot de meest gespeelde stukken van de twintigste eeuw.
Het Teatro Colón
Buenos Aires bezit met het Teatro Colón, geopend in 1908, een van de vier of vijf beste operazalen ter wereld, een oordeel dat door akoestici en door uitvoerders al ruim een eeuw wordt herhaald. De zaal telt tweeduizend vierhonderd plaatsen, heeft een nagalm van ongeveer 1,8 seconde, en werd gebouwd in een tijd waarin Argentinië tot de rijkste landen ter wereld behoorde.
Dat verklaart veel van de Argentijnse muziekgeschiedenis. Er was geld, er was publiek, en er was een zaal die elke Europese ster naar Buenos Aires trok; Toscanini dirigeerde er, Caruso, Callas en Nijinsky traden er op. Wat er niet was, tot ver in de twintigste eeuw, was een eigen repertoire.
De componisten die dat repertoire wél maakten werkten grotendeels buiten die instelling om. Ginastera kreeg er zijn balletten uitgevoerd, maar Piazzolla's nuevo tango werd er decennialang niet toegelaten, die vond zijn publiek in clubs, op opnames en uiteindelijk in Europa en de Verenigde Staten.
Twee namen, één generatie
Argentinië is in dit naslagwerk met twee componisten vertegenwoordigd, en ze staan opvallend dicht bij elkaar: Alberto Ginastera werd in 1916 in Buenos Aires geboren, Astor Piazzolla vijf jaar later in Mar del Plata. Beiden zijn ingedeeld bij het moderne tijdvak, en samen vormen ze de enige Zuid-Amerikaanse groep van meer dan één naam.
Ze kenden elkaar. Piazzolla studeerde begin jaren veertig bij Ginastera, in de jaren dat hij overdag in tango-orkesten speelde en daarnaast harmonie en orkestratie leerde. Die dubbele scholing is precies wat het nuevo tango later mogelijk maakt: de vormen komen uit de conservatoriumles, het materiaal van de dansvloer.
Hun levens eindigen tegenovergesteld. Ginastera vertrok in 1971 naar Europa en stierf in 1983 in Genève; Piazzolla werkte jaren in Parijs en New York maar stierf in 1992 in Buenos Aires. Twee antwoorden op dezelfde vraag, of een Argentijnse componist in Argentinië hoort.
Wat buiten deze twee valt
Dat de Argentijnse lijst pas in de twintigste eeuw begint, zegt iets over de opzet van dit naslagwerk en niet over het land. De negentiende eeuw kende in Buenos Aires een druk operaleven, maar dat draaide op Italiaans repertoire en Italiaanse gezelschappen.
Buiten deze selectie vallen onder anderen Juan José Castro en Carlos Guastavino, tijdgenoten van Ginastera, en Lalo Schifrin, die als leerling van Ginastera naar Hollywood vertrok. Ook Osvaldo Golijov, een generatie later, hoort in dat rijtje.
Argentijnse componisten in dit naslagwerk
De Argentijnse componisten uit de oorspronkelijke gegevens van dit naslagwerk staan hieronder, als de lijst gevuld is; de context staat in de tekst hierboven.
Veelgestelde vragen
Wat is een bandoneon?
Een balginstrument met knoppen aan beide kanten, oorspronkelijk in Duitsland gemaakt als draagbaar kerkorgel, dat via zeelieden in Argentinië terechtkwam en daar het instrument van de tango werd.
Het is geen accordeon: de knoppen geven bij uitrekken en indrukken verschillende tonen, wat het spel aanzienlijk moeilijker maakt.
Wat is nuevo tango?
De vorm die Piazzolla vanaf 1955 ontwikkelde: tango als concert- en luistermuziek in plaats van dansmuziek, met contrapunt, dissonanten en jazzelementen.
De traditionele tangowereld in Buenos Aires wees het aanvankelijk af; de internationale erkenning kwam eerder dan de Argentijnse.
Wie was Alberto Ginastera?
De eerste Argentijnse componist met een internationale reputatie, en de leraar van Piazzolla. Zijn ballet Estancia en zijn pianosonates behoren tot het vaste repertoire.
Zijn werk verschuift van uitgesproken nationaal in de jaren veertig naar een strenge, twaalftoons georiënteerde stijl in de jaren zestig.
Is tango klassieke muziek?
Als genre niet: tango is ontstaan als dans- en cafémuziek met een eigen praktijk en een eigen geschiedenis.
Wat Piazzolla ermee deed hoort wel in de concertzaal thuis, en wordt daar ook gespeeld, door strijkkwartetten, pianisten en symfonieorkesten.