Leven
Glucks vader was houtvester in dienst van een vorst die veel bezittingen had in Bohemen. Daardoor werd de Duitser Gluck geboren in het Boheemse Ersbach bij Berching op 2 juli 1714. Zijn eerste muzikale opleiding krijgt hij in de jezuïetenschool van Komotau; zo kan hij in zijn eigen levensonderhoud voorzien als hij in 1733 in Praag naar de universiteit gaat: hij knapt er allerlei muzikale klusjes op en volgt daarnaast muzieklessen bij Czanohorsky. In 1736 trekt hij naar Wenen in dienst van vorst Melzi. Die stuurt hem in de leer bij Sammartini in Milaan. Na vier jaar beheerst hij het vak van operacomponist volkomen, en pakt uit met "Artaserse", de eerste van een reeks niet onbelangrijke opera's. De faam die hem die werken bezorgden mondt uit in een uitnodiging om in Londen zijn werk te komen dirigeren. Vanaf 1747 is hij drie jaar lang dirigent van een reizend operagezelschap, en treedt op in Dresden, Wenen en Kopenhagen.
In 1750 gaat hij als gevestigd kunstenaar in Wenen wonen. en is van 1754 tot 1754 hofkapelmeester. In die Weense periode werkt hij zijn Italiaanse opera's dramatisch hogerop, door ze te bevrijden uit de starre schematiek van de Napolitaanse opera. Stilaan groeit een nieuw muziekdramatisch ideaal: de omslachtige teksten worden geconcentreerd, en ook de muzikale schema's worden vervangen door innerlijk en motivisch samenhangende vormen. Een tijdlang componeert hij ook een reeks Franse opéras-comiques.
In 1761 ontmoet hij Calzabigi, de belangrijkste vernieuwer op het gebied van het libretto, en samen komen ze tot de z.g. "Reformoper". Het zijn werken die naar vorm, geest, inhoud en bedoeling classicistisch zijn in de zuiverste betekenis van het woord: de Griekse tragedie dienst als toonaangevend voorbeeld. "Orfeo ed Euridice" is de eerste stap in die richting.
In 1722 begint een totaal nieuwe fase in Glucks carrière: hij trekt naar Parijs waar zijn vroegere leerlinge Marie-Antoinette koningin was geworden. Daar vond hij wel de steun voor zijn nieuwe denkbeelden, die hij in Wenen ontbeerde.
"Iphigénie en Aulide" is de eerste Franse Reform-opera, en andere vroegere Italiaanse opera's krijgen een Franse omwerking (zoals "Alceste" en "Orphée"). De zoveelste Parijse operaoorlog breekt los als heel de stad zich in twee kampen schaart achter aan de ene kant Piccinni en aan de andere kant Gluck, die overigens beste maatjes zijn. In 1781 vinden we Gluck terug in Wenen, waar hij zelf een Duitse versie maakt van "Iphigenia auf Tauris".
Zijn ideaal was de opera verlossen van alle misbruiken die de Italiaanse opera zo vervelend en belachelijk maakten; misplaatste ijdelheid van de zanger, en te grote toegevendheid aan het publiek. De handleiding mocht niet nodeloos opgehouden worden door zinloze herhalingen of ontsierd door technische snufjes. De ouverture werd een samenvatting van het geheel, de muziek volgde de handeling op de voet en de instrumentatie bleef aangepast aan de uit te beelden hartstochten.
Naast zijn opera's schreef Gluck 7 orkest-trio's, 7 oden voor zang en piano op tekst van Klopstock, een fluitconcerto, een "De profundis" voor koor en orkest en een dozijn symfonieën, eigenlijk opera-ouverturen. Vergeleken bij zijn operaproduktie verzinken deze werken zowel kwalitatief als kwantitatief in het niet.
Tijdens het componeren wordt hij door een beroerte getroffen, waardoor hij de muziek die nog in zijn hoofd zit, niet meer kan opschrijven. Hij sterft op 15 november 1787 nadat hij de laatste jaren van zijn leven verlamd en teruggetrokken doorbrengt.
Belangrijkste werken
Betekenis
Gluck is de componist die de opera uit haar eigen conventies haalde. De Italiaanse opera was rond 1750 verworden tot een aaneenschakeling van da capo-aria's waarin zangers naar believen versierden en het drama stilstond. Gluck sneed dat weg.
In het voorwoord bij Alceste uit 1767 schreef hij zijn programma uit: de muziek dient de poëzie, geen versieringen die de handeling ophouden, geen ouverture die niets met het stuk te maken heeft, en geen onderscheid meer tussen recitatief en aria dat de voortgang breekt. Het is een van de weinige keren dat een componist zijn hervorming zelf op papier heeft gezet.
Orfeo ed Euridice uit 1762 was de eerste toepassing. De klaagzang Che farò senza Euridice is daarvan het bekendste voorbeeld en tegelijk het meest besproken: ze staat in majeur, en tijdgenoten vonden dat ongepast bij de tekst.
Zijn invloed loopt via Mozart en Berlioz rechtstreeks naar Wagner, die zich uitdrukkelijk op hem beriep toen hij zijn eigen muziekdrama formuleerde.
Vragen over Gluck
Wat hield Glucks operahervorming in?
Dat de muziek de tekst dient in plaats van andersom: geen versieringen die de handeling ophouden, een ouverture die bij het stuk hoort, en een vloeiende overgang tussen recitatief en aria.
Waar staat dat programma?
In het voorwoord bij de gedrukte partituur van Alceste uit 1767, ondertekend door Gluck en zijn librettist Calzabigi. Het is een van de weinige gevallen waarin een componist zijn eigen hervorming heeft opgeschreven.
Wat was de querelle des Bouffons of de Gluck-Piccinni-strijd?
Een Parijse polemiek uit de jaren zeventig van de achttiende eeuw tussen aanhangers van Gluck en van de Italiaanse componist Piccinni. Ze ging over de vraag of de opera Frans-declamatorisch of Italiaans-melodisch moest zijn.
Welke opera van Gluck wordt het meest gespeeld?
Orfeo ed Euridice, in de Italiaanse versie van 1762 of de Franse van 1774. De aria Che farò senza Euridice is het bekendste fragment.
