Leven
Ockeghem (vandaag: Okegem) is de naam van een dorpje tussen Aalst en Ninove. Daar moet de familie Ockeghem vandaan zijn. Johannes zelf werd geboren in Dendermonde, waarschijnlijk tussen 1420 en 1430. Over zijn leven is bitter weinig gekend. De oudste bron vermeldt hem in 1443 als zanger aan de Onze-Lieve-Vrouwekerk te Antwerpen. Daar werd hij waarschijnlijk ook opgeleid. Wellicht volgde dan een verdere opleiding bij Binchois.
In 1448 wordt hij zanger in de kapel van Charles de Bourbon, die veel in contact kwam met het Franse hof. Zo is het niet te verwonderen dat Ockeghem in 1453 in dienst treedt van de Franse koning. Dat blijft hij tot aan zijn dood omstreeks 1495. Langs zijn hofrelaties om wordt hij schatmeester van de steenrijke abdij van Saint Martin te Tours, een behoorlijk gehonoreerde job, zonder verplichting er te verblijven ("étant occupé au service de la cour"). Hij wordt kapelmeester, en reist verschillende keren met het hele gezelschap naar het buitenland, o.m. naar Spanje voor een diplomatieke zending, en naar Vlaanderen.
Zijn grote roem en geliefdheid bleek pas bij zijn dood: talloze treurgedichten werden gecomponeerd o.m. door Erasmus, Lupi en Josquin. Erasmus sprak van "aurea vox Okegi" (Ockeghems gouden stem) en "musicorum princeps" (vorst der musici); Busnois gaf hem de bijnaam "de nieuwe Orpheus" en verschillende kroniekschrijvers en muziektheoretici zwaaiden hem de grootste lof toe. Van zijn miscomposities zijn er 11 volledig bewaard gebleven, 4 onvolledig, 5 gingen verloren en 2 werden verkeerdelijk aan hem toegeschreven. De belangrijkste titels: "L'homme armé", "Ma maistresse", "Mi mi" (op de solmisatienamen mi-mi in twee veschillende hexachorden, absoluut b-e), "Missa proletionum" (slechts twee stemmen zijn genoteerd: alt en bas zingen in canon op sopraan en tenor), en een Requiem-mis ("Missa pro defunctis", de oudste bewaarde meerstemmig gezette dodenmis; het is geweten dat Dufay er reeds één had gecomponeerd, maar die is helaas verloren gegaan). Verder zijn er een dozijn motetten en 23 chansons.
Technisch kan met Ockeghem zeer knap noemen, en jarenlang werd uitsluitend dit aspect belicht. Zijn beheersing van de cantus-firmus- en de canontechniek, zijn grote melodische aanleg en inventie, stelden hem in staat in een mathematisch zuivere polyfonie werken te schrijven die toch een warme kracht uitstralen. Daardoor kan hij zich muzikale grapjes veroorloven als de 36 meerstemmige "Deo gratias" of de "Missa cuiusvis toni" (kan in gelijk welke toonaard kan uitgevoerd worden door alleen maar de sleutel te veranderen).
Belangrijkste werken
Betekenis
Ockeghem was bijna veertig jaar in dienst van achtereenvolgens Karel VII, Lodewijk XI en Karel VIII, en bekleedde daarnaast het ambt van thesaurier van de abdij van Saint-Martin in Tours, een van de rijkste posten van Frankrijk. Hij stierf hoogbejaard en werd door zijn tijdgenoten met eerbied bejegend die aan verering grensde.
Zijn muziek is berucht om haar constructieve raffinement. De Missa prolationum bestaat volledig uit canons waarbij twee stemmen dezelfde notatie lezen in verschillende maatverhoudingen; de Missa cuiusvis toni is zo genoteerd dat ze in vier toonsoorten uitvoerbaar is zonder één noot te veranderen.
Wat je daarvan hoort is opmerkelijk weinig: lange, ononderbroken lijnen die nauwelijks samen ademhalen. Zijn dood werd door Josquin en door de dichter Erasmus met klaagzangen herdacht, een eerbewijs dat in die tijd zeldzaam was.
De laagste stemmen van zijn eeuw
Ockeghem was zelf bas, en dat is aan zijn muziek te horen. Zijn stukken gaan dieper dan alles wat er in zijn tijd werd geschreven: in het Requiem en in enkele missen daalt de onderste partij tot tonen die de meeste vijftiende-eeuwse zangers niet haalden.
Tijdgenoten hebben het opgemerkt. De theoreticus Johannes Tinctoris noemde hem uitdrukkelijk onder de beste bassen die hij kende, en het lied waarin de dichter Guillaume Crétin zijn dood betreurt spreekt over die stem alsof ze een instrument was.
Het heeft gevolgen voor de klank. Waar de generatie vóór hem op een heldere, hoge samenklank schreef, zet Ockeghem het zwaartepunt naar beneden, met een dicht, donker weefsel waarin de stemmen elkaar voortdurend kruisen en zelden tegelijk ademhalen.
Dat is ook de reden dat zijn muziek moeilijk te volgen is. Er zijn nauwelijks cadensen waarop een luisteraar kan rusten, de frasen zijn ongelijk van lengte, en niets herhaalt zich. Wie hem naast Josquin legt hoort het verschil tussen een componist die aan zangers dacht en een die aan luisteraars dacht.
Vragen over Ockeghem
Wat is een mensuurcanon?
Een canon waarin twee of meer stemmen dezelfde genoteerde melodie zingen, maar in verschillende maatverhoudingen, zodat de ene sneller loopt dan de andere. Ockeghem bouwde er een complete mis mee.
Wat is het oudste bewaarde requiem?
Dat van Ockeghem, uit ongeveer 1470. Er bestond een ouder requiem van Dufay, maar dat is verloren gegaan.
Waar komt de naam Ockeghem vandaan?
Waarschijnlijk van het dorp Okegem bij Ninove in Oost-Vlaanderen. Zijn geboortejaar is onzeker; de schattingen lopen van 1410 tot 1425.
Wat is zijn verhouding tot Josquin?
Josquin was ruim een generatie jonger en gold als zijn opvolger in aanzien. Toen Ockeghem in 1497 stierf schreef Josquin het klaaglied Nymphes des bois op een tekst van Molinet.
