Leven
Sergei Eduardovich Bortkiewicz is geboren in Charkow (Oekraïne) op 28 februari 1877. Het grootste deel van zijn jeugd bracht hij door op het familielandgoed Artiomowka, vlakbij Charkow. Zijn muzikale opleiding kreeg hij van Anatol Liadov en Karl von Arek, beiden verbonden aan het Keizerlijk Conservatorium in Sint Petersburg.
In 1900 verliet hij Sint Petersburg en reisde naar Leipzig, waar hij aan het Conservatorium van Leipzig bij Alfred Reisenauer ging studeren. Reisenauer was een leerling van Liszt. In juli 1902 beëindigde Bortkiewicz zijn opleiding aan het Conservatorium en werd hem bij die gelegenheid de Schumann prijs toegekend.
Teruggekeerd in Rusland in 1904, trouwde hij Elisabeth Geraklitowa, een vriendin van zijn zuster. Het echtpaar Bortkiewicz vertrok daarna naar Duitsland, waar het zich vestigde in Berlijn. Hier begon Bortkiewicz zich toe te leggen op het componeren.
Van 1904 tot en met 1914, woonden Sergei en Elisabeth Bortkiewicz in Berlijn. De zomers brachten zij door bij familie in Rusland of reisden door Europa voor het geven van concerten. Gedurende een jaar gaf hij in die periode ook les aan het Klindworth-Scharwenka Conservatorium, waar hij zijn levenslange vriend, de Nederlandse pianist Hugo Van Dalen (1888 – 1967) ontmoette. Van Dalen gaf de premiere van Bortkiewicz’s eerste pianoconcert (opus 16) in november 1913 in Berlijn met het Blüthner Orkest onder leiding van de componist.
Het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog in 1914 verandere het leven van het echtpaar Bortkiewicz dramatisch. Vanwege zijn Russisiche nationaliteit werd hij in eerste instantie onder huisarrest geplaatst en daarna gedwongen Duitsland te verlaten. Hij keerde terug naar Charkow, waar hij zich als muziekleraar vestigde, terwijl hij in die periode ook concerten gaf. Het einde van de Eerste Wereldoorlog luidde het begin in van de Russische revolutie. Bortkiewicz en zijn familie werden gedwongen het landgoed Artiomowka, dat bezet werd door de communisten, te verlaten. In Juni 1919 vluchtten de communisten bij het naderen van het Witte leger en Bortkiewicz kon weer terugkeren naar het familielandgoed, dat volledig geplunderd bleek. In die periode ging hij zich toeleggen op het beheren van het landgoed. Dit bleek echter van korte duur. Tijdens een korte vakantie met zijn vrouw in Jalta, werd Charkow heroverd door het Rode Leger, wat betekende dat hij niet kon terugkeren naar Artiomowka. In de daarop volgende chaos overleden zijn moeder en de echtgenoot van zijn zuster Vera in Novorossysk aan de gevolgen van tyfus. Nadat het hele gebied rond Jalta was ingenomen door het Rode leger, probeerden Bortkiewicz en zijn vrouw te vluchten. Het lukte hen om aan boord te komen van het stoomschip "Konstantin", dat hen veilig maar berooid in november 1919 in Constantinopel bracht.
Dankzij de hulp van de hofpianist van de Sultan, Ilen Ilegey, kon Bortkiewicz concerten en pianolessen geven. Hij kreeg bekendheid op een groot aantal ambassades en maakte kennis met de vrouw van de Joegoslavische ambassadeur Natalie Chaponitsch, aan wie hij zijn Trois Morceaux opus 24 (1922) opdroeg. Zij organiseerde in de ambassade "soirées musicales" voor Bortkiewicz. Met de hulp van haar echtgenoot konden Bortkiewicz en zijn vrouw een visum krijgen voor Joegoslavië. Via Belgrado kwamen zij aan in Sofia, waar zij geruime tijd moesten wachten voor een visum voor Oostenrijk. Op 22 Juli 1922 bereikten Sergei en Elisabeth Bortkiewicz Oostenrijk.
In eerste instantie ging Bortkiewicz in Baden, vlakbij Wenen wonen. Hij bleef hier tot en met 1923. Daarna verhuisde hij naar Wenen, waar hij de volgende vijf jaar zou verblijven en waar hij in 1925 uiteindelijk zijn Oostenrijks staatsburgerschap verwierf.
In 1928 vertrok Bortkiewicz voor een periode van zes maanden naar Parijs en verhuisde vervolgens weer naar Berlijn. In 1933 werd hij wederom gedwongen Duitsland te verlaten. Als Rus werd hij nu vervolgd door de Nazi's, die verhinderden dat zijn muziek in Duitsland nog uitgevoerd kon worden. Hij keerde in 1935 terug naar Wenen, waar hij ging wonen in een appartement aan de Blechturmgasse 1 (deurs 5). Hier bleef hij de rest van zijn leven wonen. Gedurende deze jaren had Bortkiewicz grote financiële problemen en riep vele keren de hulp in van zijn vriend Hugo van Dalen. Van Dalen verleende keer op keer financiële steun. In deze periode vertaalde hij van het Russisch in het Duits ook de briewisseling tussen Pjotr Iljitsj Tschaikowsky en Nadeschda von Meck. Deze brieven werden gepubliceerd als Die seltsame Liebe Peter Tschaikovsky’s und der Nadjeschda von Meck (Köhler & Amelang, Leipzig 1938). Dit boek bleek een groot succes en werd in ieder geval twee keer herdrukt. Van Dalen bewerkte Bortkiewicz’s boek in het Nederlands, en publiceerde het als Rondom Tschaikovsky’s vierde symphonie (De Residentiebode, 1938).
De Tweede Wereldoorlog (1939-1945) was ook een verschrikkelijk tijd voor Bortkiewicz en zijn vrouw. In een brief van 8 december 1945 aan zijn vriend Hans Ankwicz-Kleehoven beschreef hij hoe hij leefde:
“Ik schrijf u vanuit mijn badkamer waarin wij ons teruggetrokken hebben omdat het klein is en verwarmd kan worden met een gaslicht (!) De andere kamers kunnen niet gebruikt worden en ik kan mijn piano niet gebruiken. Dit is de situatie nu. Wat staar ons nog meer te wachten? Het leven wordt meer en meer onaangenaam, medogenloos. I geef les aan het Conservatorium bij een temperatuur van 4 graden, en binnenkort zelfs nog minder! […]”
Gedurende deze periode componeerde hij desondanks een aantal werken, waaronder zijn Piano Sonata No. 2 opus 60. De sonate werd door Bortkiewicz voor het eerst uitgevoerd op 29 november 1942 in de Brahmssaal van de Musikverein in Wenen. Hugo Van Dalen gaf de Nederlandse premiere op 9 february 1944 in Amsterdam.
Na Tweede Wereldoorlog was Bortkiewicz de wanhoop nabij: hij was nagenoeg geruïneerd. Het grootste deel van zijn gedrukte composities, die werden uitgegeven door zijn Duitse uitgevers (Rahter, Litolff, Kistner & Siegel), werden vernietigd tijdens de bombardamenten op Duitse steden. Hierdoor verloor hij nagenoeg alle inkomsten uit de verkoop van zijn werken. Bortkiewicz en zijn vrouw waren fysiek en mentaal uitgeput aan het eind van de oorlog en waren beiden in een ontredderde toestand toen hun vriend, Dr. Walter Zdrahal, het echtpaar liet opnemen in het Franz Joseph Ziekenhuis in Wenen om hen te behandelen.
In de herfst van 1945 werd Bortkiewicz aangesteld als leider van een master class aan het Conservatorium van Wenen. Deze benoeming bracht de componist enig financileel soelaas. Gedurende deze periode componeerde hij zijn Six Preludes opus 66 (1946), waarvan er slechts twee – nummers 1 & 3 – tot op heden zijn teruggevonden. Deze préludes zijn opgedragen aan de Nederlandse pianiste Hélène Mulholland (1912-2000), die Bortkiewicz na de oorlog hielp door het sturen van eten en kleding. Na zijn pensionering in 1948, kende de stad Wenen de componist een ere-pensioen toe.
Op initiatief van Hans Ankwicz-Kleehoven werd in 1947 in Wenen een Bortkiewicz Stichting opgericht om de herinnering aan Bortkiewicz’ muziek levend te houden. De oprichtingsbijeenkomst vond plaats in de bibliotheek van de Akademie aan de Schillerplatz op 10 april 1947 in Wenen. Iedere eerste maandag van de maand van november tot mei, kwam vrienden van de componist en leden van de Bortkiewicz Stichting bijeen in het Kunsrlerhaus en luisterden naar concerten met muziek van Bortkiewicz, die vaak door de componist zelf ook werd uitgevoerd. De Bortkiewicz Stichting werd op 6 maart 1973 ontbonden.
In de jaren na 1949, en voornamelijk als gevolg van de oorlogsjaren, was Bortkiewicz’s vrouw manisch depressief geworden, hetgeen ook veel van de gezondheid van de componist vroeg. Desondanks nam de populariteit van Bortkiewicz toe en op 26 february 1952 vierde de Bortkiewicz Stichting samen met het Ravag Orkest de 75e verjaardag van de componist tijdens een concert in de zaal van de Musikverein in Wenen. Bortkiewicz dirigeerde het orkest terwijl Felicitas Karrer het eerste pianoconcert opus 16 vertolkte. De violist Jaro Schmied voerde het “Des Frühlings und des Pans Erwachen – ein lyrisches intermezzo nach Gemälden von Sandro Botticelli” opus 44 uit. Het concert werd besloten met de eerste Symfonie opus 52 “Aus meiner Heimat”. Dit zou het laatste grote optreden voor Bortkiewicz worden. Zijn uitgelatenheid over de succes van het concert bracht hij onder woorden in een brief van 18 maart 1952 aan Hugo van Dalen:
“Eindelijk had ik de kans om in een grote zaal met een groot orkest en solisten, te laten zien wat ik kan. Niet alleen the muziekcritici, maar anderen die mij kennen, waren verrast en verbaasd [...] Ik zal mij altijd gelukkig kunnen voelen dat ik zoveel waardering heb gehad op mijn 75jarige leeftijd, een waardering die meestal komt na de dood van iemand die het werkelijk verdiende […]”
Bortkiewicz leed al enige tijd aan een maagkwaal en op advies van zijn dokter besloot hij een operatie te ondergaan in oktober 1952. Van deze operatie herstelde hij niet en hij overleed in Wenen op 25 Oktober 1952. Zijn vrouw, Elisabeth, die geen kinderen had, overleed acht jaar later op 9 maart 1960 in Wenen. De graven van Sergei en Elisabeth Bortkiewicz zijn te vinden op het Zentralfriedhof in Wenen.
Bortkiewicz’s piano stijl is sterk gebaseerd op Liszt en Chopin, gevoed door Tschaikovsky, Rachmaninov, Wagner, de vroege Skrjabin en Russische folklore. Zijn muziek is niet beïnvloed door de muzikale trends van de 20e eeuw. Bortkiewicz zag zichzelf niet als “modernist” zoals gelezen kan worden in zijn Künstlerisches Glaubensbekenntnis van 1923. Zijn vakmanschap is zeer gedegden, zijn verbeeldingskracht is kleurrijk en fijngevoelig, zijn pianoschrijfstijl idiomatisch; een weelderige instrumentatie benadrukt de essentiële gevoeligheid van de muzikale gedachte (The New Grove, Dictionary of Music & Musicians, 1980, p. 70). Bortkiewicz was geen epigoon. Hij had een eigen stijl, die gevormd is door alle muzikale invloeden die hij heeft opgedaan in zijn leven en die onmiddellijk herkend kan worden als de typische Bortkiewicz toon: lyrisch en nostalgisch.
Mede Dankzij Hugo Van Dalen kunnen wij nog steeds kennis nemen van Bortkiewicz' muziek en zijn leven. Toen Van Dalen overleed in 1967 schonk zijn familie de manuscripten van verschillende composities (zoals de 12 Etudes opus 29 opgedragen aan Van Dalen); een handgeschreven autobiografie Erinnerungen (gepubliceerd in het Duits in Musik des Ostens, 1971 p. 136-169, in het Nederlands door Hugo van Dalen in juli/augustus 1939 in De zevende dag en in het Engels door B.N. Thadani “Recollections” 2e druk, Cantext, 2001), plus een groot aantal brieven en bladmuziek die Bortkiewicz aan hem stuurde aan het Nederlands Muziek Instituut (onderdeel van het Haags Gemeentemuseum) in Den Haag. Zo heeft het NMI het enige bestaande exemplaar van het manuscript van één van Bortkiewicz’ meesterwerken, de tweede pianosonate opus 60.
Het Nederlands Muziek Instituut is begonnen met het opnemen van de complete pianomuziek van Bortkiewicz. Inmiddels zijn twee dubbel-cd’s verschenen. Klaas Trapman, pianist en docent aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag, vertolkt de muziek.
Auteur: Wouter Kalkman
Links:
www.bortkiewicz.com
www.nederlandsmuziekinstituut.nl
www.eptanederland.nl/pianobulletin/inhoud19982002
In 1988, n.a.v. de honderdste geboortedag van Hugo van Dalen (1888-1967)
heeft het bestuur van het Skrjabin Genootschap onder leiding van Elbert van
Zoeren besloten deze pionier in het op internationale schaal vertolken van
eigentijdse muziek, postuum te benoemen tot erelid van het Skrjabin
Genootschap, gezien zijn belangwekkende bijdragen aan het verbreden van de
aandacht voor de Russische muziek en aan het levend houden van pianowerken
van Aleksandr Nikolajevitsj Skrjabin.
Tevens is interessant te weten dat deze Slavisch-romantische componist van
formaat, sinds 16 april 1963 erelid was van de Componisten-vakbond in de
v.m. U.S.S.R.. In die tijd was Chatsjatoerian voorzitter van die club.
Belangrijkste werken
Betekenis
Bortkiewicz werd geboren op het landgoed van zijn familie bij Charkov, studeerde in Sint-Petersburg en Leipzig, en bouwde voor de Eerste Wereldoorlog een loopbaan op als pianist en componist in Duitsland. Daarna ging alles mis: in 1914 als vijandig onderdaan uit Duitsland gezet, in 1920 door de revolutie alles kwijt, en vanaf 1922 staatloos in Wenen.
Zijn muziek veranderde daar niet door. Hij bleef zijn hele leven schrijven in het idioom van Rachmaninov en Chopin (brede melodieën, rijke pianotextuur, volstrekt tonaal) in decennia waarin dat als hopeloos verouderd gold.
Dat verklaart waarom hij bij leven nauwelijks werd gespeeld en waarom zijn werk pas sinds de jaren negentig wordt opgenomen. Zijn drie pianoconcerten en zijn etudes behoren tot het beste van wat de late romantiek in de twintigste eeuw nog voortbracht.
Het tweede pianoconcert schreef hij voor Paul Wittgenstein, de pianist die in de Eerste Wereldoorlog zijn rechterarm verloor en voor wie ook Ravel en Prokofjev schreven.
Vragen over Bortkiewicz
Waarom klinkt Bortkiewicz zo laat-romantisch?
Omdat hij bewust in het idioom van Rachmaninov en Chopin bleef schrijven, ook toen dat rond 1920 als verouderd gold. Hij heeft zich nooit naar de nieuwe stromingen gevoegd.
Waarom is hij zo laat herontdekt?
Zijn werk verdween door de oorlogen, de revolutie en de heersende smaak vrijwel volledig uit beeld. Pas vanaf de jaren negentig verschenen er systematische opnamen.
Voor wie schreef hij het tweede pianoconcert?
Voor Paul Wittgenstein, de pianist die in de Eerste Wereldoorlog zijn rechterarm verloor. Het concert is voor de linkerhand alleen geschreven.
Waar leefde Bortkiewicz?
Geboren bij Charkov, opgeleid in Sint-Petersburg en Leipzig, daarna in Berlijn, Constantinopel en vanaf 1922 in Wenen, waar hij in 1952 stierf.
