Hugo Wolf werd op 13 maart 1860 in Windischgrätz (Stiermarken) geboren, en ontwikkelde zich onder de leiding van zijn vader al gauw tot een wonderkind. Omdat er van een wetenschappelijke loopbaan toch nooit iets zou komen, mag hij in 1875 toch naar het Conservatorium. Wolf vindt de lessen er te saai, en gaat leven van herbergmuziek, privé-lessen en op kosten van zijn familie. Hij dweept met Wagner, schrijft vernietigende recensies tegen Brahms, en wordt sterk door literatuur geboeid.
Even is hij kapelmeester in Salzburg, en meestal logeert hij bij familie, vrienden of op een gehuurde kamer. Componeren doet hij meestal in vlagen: in 1888 zien plots 43 liederen het licht op teksten van Mörike; verder zijn er de "Goethe-lieder", het "Spanisches Liederbuch", het "Italienisches Liederbuch", de "Michelangelo-Lieder" en een "Italienische Serenade", en ten slotte is er de opera "Der Corregidor". Vanaf 1898 lijdt Wolf aan vlagen van totale zinsverbijstering. Hij sterft in Wenen op 22 februari 1903. |