Deze "Prins der Nederlanden" werd geboren in de buurt van Cambrai (Kamerijk) in Henegouwen tussen 1440 en 1450. De naam Josquin Desprez (des Prés) zou een vertaling kunnen zijn van Joosken Vanderweyden, maar niets wijst echter op het Nederlands als moedertaal: hij componeerde zowel op Franse, Italiaanse als Latijnse teksten, maar geen enkel werk met een Nederlandse tekst, terwijl zijn talrijke namen uit de meest uiteenlopende Europese archieven steeds op zijn Noordfranse afkomst wijzen.
Als knaap zong hij in het koor Saint-Quentin, en waarschijnlijk studeerde hij bij Ockeghem in Parijs. Van 1459 tot 1472 is hij zanger aan de Domkerk van Milaan, en van 1473 tot 1479 lid van de kapel van de hertogen Sforza. Intussen moet hij de priesterwijding ontvangen hebben, en vanaf 1479 werkt hij in los dienstverband voor kardinaal Ascanio Sforza, die later naar Rome zou verhuizen om er paus te worden. Tussen 1486 en 1494 maakt hij herhaaldelijk deel uit van de pauselijke kapel in Rome, maar zeker niet zonder onderbreking. Josquin verloor namelijk nooit contact met zijn vroegere werkgevers en beschermheren en maakte nieuwe relaties, zoals het hof der d'Estes in Ferrara. Vanaf 1501 tot 1515 werkt hij free-lance voor Ercole d'Este, zowel als voor Lodewijk XII van Frankrijk.
De laatste jaren van zijn leven keert hij terug naar zijn geboortestreek als proost van het kapittel van Condé. Hij stierf waarschijnlijk op 27 augustus 1521. Andere bronnen doen geloven dat hij in 1524 nog in leven zou geweest zijn, maar dit is weinig waarschijnlijk.
Josquin componeerde 25 missen, 120 motetten en een 60-tal chansons, madrigalen en andere lichte koorwerkjes. Zijn werken vinden we in tal van bundels (zowel in handschriften als in de eerste gedrukte bundels) overvloedig terug. Josquin was een van de eerste componisten die zich in de eerste plaats kunstenaar voelden. Hij was bereid te werken voor iedereen die wilde betalen, en leefde als een "humanistische prins". Luther dweepte met hem "omdat hij baas was over de noten in plaats van omgekeerd". Hij beoefende alle genres en tilde ze op een hoger peil (zoals de italiaanse frottole). Hij overwon de moeilijk hanteerbare polyfonie en vond de volmaakte synthese tussen horizontale en verticale samenklank. Op die manier gaf hij diepere inhoud aan de "kunstige" muziek van de beroemdste voorgangers (w.o. Ockeghem). |