Jacques' vader, cantor in de synagoge van Keulen, was afkomstig van Offenbach bij Frankfurt. Oorspronkelijk luidde zijn familienaam Eberst, maar zijn vader veranderde deze in Offenbach.
De jonge Offenbach was reeds op prille leeftijd een goede cellist. Op zijn veertiende ging hij aan het conservatorium van Parijs studeren, ondanks de vooroordelen van de toenmalige directeur, Luigi Cherubini. Na een jaar stop hij er echter mee omdat hij geen (zelf)discipline had. Hij gaat in het orkest van de Opéra-Comique spelen.
Dankzij het succes van enkele liederen krijgt hij in 1847 een baantje als dirigent van de Théâtre Français. In deze periode begint hij operettes te schrijven, die hij laat opvoeren in het theater van de Champs-Elysées. Het grote succes zet hem aan om nog meer te componeren, en weldra verovert hij ook de internationale theater- en concertzalen (Wenen, Ems, Londen, Baden-Baden). Zijn operettes worden in alle mogelijk bezettingen herschreven en in gans Europa verspreid.
Van 1872 tot 1875 beheert hij het 'Théâtre de la Gaieté', wat tot een financiële ramp leidt: hij verkoopt een deel van zijn goederen en onderneemt een reis naar de Verenigde Staten om zijn schulden af te lossen.
Op de nacht van 4 op 5 oktober 1880 sterft hij aan jicht. Pas een jaar later wordt zijn laatste werk, 'Les contes d'Hoffmann', opgevoerd. |