Lekeu is het eerste werkelijk groot talent van de Waals-Belgische school uit de negentiende eeuw, die gesticht was door Fétis en voortgezet werd door Gevaert. Hij werd geboren op 20 januari 1870 in Heusy (bij Verviers), maar de familie verhuist als hij pas negen is naar Poitiers.
Na de middelbare studies in Poitiers, studeert hij Wijsbegeerte en Letteren aan de Sorbonne te Parijs, terwijl hij tot dan toe als componist en violist volledig autodidact is. In de Parijse tijd gaat hij les volgen bij Franck; en na diens dood bij Vincent d'Indy, die hem de raad geeft in Brussel mee te dingen voor de Prijs van Rome (meer dan een tweede prijs zat er niet in met de cantate "Andromède"). Toch werd deze "terugkeer" naar het vaderland het veelbelovend begin van een bloeiende carrière. De "Cercle de XX" en de violist Eugène Ysaye hielpen hem met raad en daad bij het uitbouwen van een componistencarrière, en afgaande op wat Lekeu in enkele jaren tijds presteerde, zou die er zeker gekomen zijn, ware hij niet op 24-jarige leeftijd gestorven aan een tyfeuze infectie op 21 januari 1894.
Bij het beoordelen van zijn werk was Lekeu behekst met een overdreven drang naar zelfkritiek, die van het componeren onvermijdelijk een lijdensweg maakte. De opusnummers die hij kon afwerken, meestal vioolmuziek, maar ook composities voor piano, strijkkwartet en liederen, geven ons de indruk van een uiterste zorg voor het detail. Tot zijn belangrijkste werken behoren de "Vioolsonate" (1892), "Fantaisie sur deux airs populaires angevins" (1892) en "Adagio pour cordes" (1891). |