Hij werd geboren in Komáron (nu op Slowaaks grondgebied) op 30 april 1870. Toen hij 15 jaar was, werd hij opgenomen in het Praagse conservatorium, waar hij viool- en compositielessen kreeg van niemand minder dan Dvorák.
Na zijn studies aan het conservatorium trad hij in dienst van het leger, waar hij een tijdje in het harmonieorkest dat zijn vader dirigeerde, speelde. Op twintigjarige leeftijd werd hij zelf dirigent. In Pola, aan de Adriatische zee, ontmoette hij Felix Falzari, die zijn eerste librettist werd. Hij schreef de libretto's van Lehár's eerste opera 'Kukuschka', dat in Budapest en Leipzig opgevoerd werd. Hij stapte uit het leger, maar het succes was minder dan verhoopt, en werd genoodzaakt terug te keren naar zijn vroegere post.
Toen hij in januari 1902 een succesvolle wals schreef voor het bal van prinses Metternich, was zijn carričre verzekerd. Hij verliet voorgoed het leger en werd Kapellmeister aan het theater van Wenen, waarvoor hij de operette 'Wiener Frauen' schreef. Ondertussen was hij ook bezig aan een andere operette 'Der Rastelbinder' naar een libretto van Victor Léon, die voor het Carltheater - de concurrentie - werkte. Daardoor moest hij zijn post als Kapellmeister opgeven en begon hij fulltime te componeren.
In 1905 componeerde hij 'Die lustige Witwe', dat een wereldwijd succes werd. Ook nu nog wordt 'De vrolijke weduwe' dikwijls uitgevoerd, onder de vorm van operette, theater, ballet, films, ijsshows... Het overweldigende succes maakte Franz Lehár zeer rijk. De successen bleven maar duren. Elke operette die hij schreef, werd met veel enthousiasme onthaald. Tussen 1925 en 1934 schreef hij maar liefst zes operettes.
In 1935 stichtte hij zijn eigen muziekuitgeverij om zoveel mogelijk controle te hebben over de uitvoeringen van zijn werken. Hij kocht daarvoor alle rechten over die andere uitgevers over zijn werken hadden.
Franz Lehár overleed in Bad Ischl op 24 oktober 1948. Zijn uitgeverij werd overgenomen door Glocken Verlag. |